1.Voor nieuwe of vervangingsinvesteringen worden de in het tweede tot en met vijfde lidaangegeven waarderings- en afschrijvingsmethode toegepast.
2.Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatiegebracht.
De materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in maximaal:
40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen;
40 jaar: kantoren en bedrijfsgebouwen;
60 jaar: rioleringen;
25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, kantoren, bedrijfsgebouwenen schoolgebouwen;
20 jaar: motorvaartuigen;
15 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen;
10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen; telefooninstallaties; kantoormeubilair;schoolmeubilair; aanleg tijdelijke terreinwerken; tijdelijke woonruimten enbedrijfsgebouwen;
h.15 jaar: naar gangbare ervaringsnormen of voorgeschreven normen over degebruiksduur, bij investeringsprogramma te bepalen termijn: voertuigen, machines,gereedschappen en overig materiaal;
i.5 jaar: automatiseringsapparatuur.
Investeringen in gronden en terreinen worden geactiveerd zonder dat hierop afschrijvingplaatsvindt.
Activa met economisch nut en een verkrijgingprijs van minder dan
5.000,00 worden nietgeactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen;
4.Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel 35 van hetBesluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden verstaaninvesteringen in aanleg, reconstructies, verbetering en aanpassing van: (inrichting) wegen,waterwegen, civiele kunstwerken, groen en kunstwerken.
5.Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk nut worden,onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves, lineair afgeschreven inmaximaal:
a.30 jaar: aanleg, reconstructies, verbetering en aanpassing van wegen, rotondes,parkeerterreinen en waterbouwkundige werken, alles met inbegrip van wegdek,bermen, talud en wegmeubilair;
30 jaar:herbestratingen en vernieuwing wegfundering;
25 jaar: openbare verlichting en verkeerslichtinstallaties.
Hoofdstuk III
Artikel 8.