Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Vaststelling van het subsidiedeel op basis vrijwilligersinzet

Onderdeel van Uitvoeringsregels voor het subsidiëren van verenigingen en vrijwilligersorganisaties

1.. De vrijwilligersinzet wordt gemeten aan de omvang en samenstelling van het leden-/deelnemers-bestand, de omvang/frequentie (intensiteit) van de uitgevoerde activiteiten en de werkbelasting die eigen is aan de aard van de vereniging c.q. activiteiten. 2.. Voor het bepalen van de vrijwilligersinzet wordt allereerst gekeken naar de omvang en samenstelling van het leden-/deelnemersbestand. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in vier leeftijdscatego-rieën. Het verschil in de voor de diverse categorieën benodigde vrijwilligersinzet wordt in de subsidieberekening meegenomen door het aantal (actieve) leden/deelnemers in de betreffende categorie te vermenigvuldigen met een wegingsfactor. Die factor is: 3 voor jeugdigen/jongeren van 11 t/m 20 jaar, 2 voor kinderen t/m 10 jaar, 1 voor ouderen (65 plus) De vrijwilligersinzet ten behoeve van volwassenen (21 t/m 64 jaar) wordt voor de subsidievaststelling niet meegenomen. Voor die leeftijdsgroep is dus de wegingsfactor 0. 3.. De vrijwilligersinzet wordt niet alleen bepaald door het aantal deelnemers in de verschillende leeftijds-groepen maar ook door de mate waarin die deelnemers actief zijn (de intensiteit van de activiteiten). Voor het bepalen hiervan wordt het wekelijks (of meermalen per week) deelnemen aan een vereni-gingsactiviteit gesteld op 100% (dit normpercentage komt overeen met 40 activiteiten per deelnemer per jaar). Het percentage wordt verminderd naar gelang het aantal activiteiten en/of het gemiddelde aantal deelnemers minder is dan de norm. 4.. Een derde aspect wat meeweegt voor het bepalen van de vrijwilligersinzet is de aard van de vereniging c.q. van de activiteiten. Immers het ene type vereniging c.q. activiteit vraagt een grotere inzet van vrijwilligers dan het andere. Ook de leeftijdsopbouw speelt hierbij een rol. Aan verenigingen van eenzelfde type wordt dezelfde zwaarte/wegingsfactor toegekend. Dit, omdat de onderlinge verschillen tussen soortgelijke verenigingen niet zodanig aantoonbaar en meetbaar zijn dat daarmee in redelijkheid rekening kan worden gehouden. De voor de verschillende soorten verenigingen/activiteiten toe te passen factoren wegens de Verenigingseigen vrijwilligersinzet (V) zijn: 4,00 voor de specifieke jeugdverenigingen, 2,00 voor de traditionele –m.n. op kinderen gerichte - volksfeesten (Sinterklaas enz.) en voor het kindervakantiewerk, 1,50 voor alle zaalsporten en voor voetbal, tennis, hockey, atletiek, ruitersport en zwemmen, 1,25 voor beugelen, jeu de boules, handboogschieten, wielerclubs, visclubs, schaken/dam-men, 1,50 voor muziekverenigingen, toneelclubs, dansgroepen, carnavalsverenigingen waaraan een dansgroep verbonden is, heemkundeverenigingen en de speel-o-theek, alsook voor disco De Springer en voor Funpop, 1,25 voor de schutterijen, zangkoren, carnavalsverenigingen, de fotoclub en het literair café, 1,25 voor de KBO’s, de vrouwenorganisaties en de Zonnebloemafdelingen, 3,50 voor ontmoetingsactiviteiten voor zieken (het ziekentriduüm e.d.), 1,50 voor het Rode Kruis en de EHBO, 1,50 voor natuurbeschermingsorganisaties. De voor een vereniging geldende factor wordt met 0,25 verlaagd wanneer er sprake is van substan-tiële inkomsten uit kantine-exploitatie. 5.. Het subsidiedeel op basis vrijwilligersinzet wordt berekend volgens de formule: Subsidie = G x I x V x E Hierin is G het Gewogen aantal deelnemers (zie art. 3 lid 2), I is de Intensiteit van de activiteiten (zie art. 3 lid 4), V is de Verenigingseigen inzet (zie 2.1.3) en E het subsidiebedrag dat per eenheid beschik-baar is. Voor de subsidieperiode 2012-2015 bedraagt die rekeneenheid € 5,02.

Rechtspraak bij dit artikel