1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond zoals bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB of artikel 20 IOAW / IOAZ, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 4 onder b van deze verordening, wordt een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
2. De verlaging wordt op de volgende wijze vastgesteld:
a: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00, 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
b: bij een benadelingsbedrag van € 1000,00 tot € 2000,00, 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand,
c: bij een benadelingsbedrag van € 2000,00 tot € 4000,00, 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand,
d: bij een benadelingsbedrag vanaf € 4000,00 wordt de hoogte en duur van de verlaging afgestemd op basis van artikel 2 lid 4 van deze verordening. De hoogte van de verlaging wordt gesteld op minimaal 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht wordt in afwijking van lid 2 een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.
4. Artikel 13 van deze verordening is met betrekking tot de verlaging als bedoeld in het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de verlaging genoemd in lid 2 niet of niet volledig opgelegd kan worden, dan wordt deze verlaging toegepast op het toekomstig recht op bijstand indien dat toekomstig recht ontstaat binnen 1 jaar na de datum waarop het feit of de feiten op grond waarvan de verlaging opgelegd diende te worden, zich voordeed.
Hoofdstuk 3
Artikel 8
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Losser