1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
2.De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen.
3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden nadat het besluit is genomen.
Hoofdstuk 3
Artikel 10
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010