1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld op:
a. vijf procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b. tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
c. twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.
2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie.
3.Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, wanneer aan betrokkene in de afgelopen 24 maanden, te rekenen vanaf datum besluit, niet eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven voor een gedraging van de eerste categorie zoals genoemd in artikel 8 lid 1 van deze verordening.
Hoofdstuk 2
Artikel 9
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010