**1..** Onverminderd artikel 3, eerste lid, past het college, met in achtneming van artikel 20, vierdelid IOAW/IOAZ, blijvend een verlaging toe indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligtin de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonderdat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
**2..** De hoogte van de verlaging is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen.
**3..** Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Hoofdstuk 3
Artikel 10.
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW/IOAZ 2013