**1..** Onverminderd artikel 3, eerste lid, wordt de verlaging vastgesteld op:
vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste categorie;
tien procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de tweede categorie;
veertig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de derde categorie.
**2..** In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien belanghebbende een uitkeringontvangt op grond van de IOAW en de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, blijvend een verlaging op ter hoogte van het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.
Hoofdstuk 2
Artikel 9.
De hoogte en duur van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW/IOAZ 2013