Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Verlof en leeftijd

Onderdeel van 41 Verlof

De duur van de vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die in het kalenderjaar wordt bereikt, verhoogd met het volgende leeftijdsverlof: bij een leeftijd van 18 jaar en jonger 21,6 uur bij een leeftijd van 19 jaar 14,4 uur bij een leeftijd van 20 jaar 7,2 uur bij een leeftijd van 30 t/m 39 jaar 7,2 uur bij een leeftijd van 40 t/m 44 jaar 14,4 uur bij een leeftijd van 45 t/m 49 jaar 21,6 uur bij een leeftijd van 50 t/m 54 jaar 28,8 uur bij een leeftijd van 55 t/m 59 jaar 36 uur bij een leeftijd van 60 jaar en ouder 43,2 uur Op verzoek van de ambtenaar kunnen burgemeester en wethouders jaarlijks maximaal 21,6 uren leeftijdsverlof uitbetalen, indien vanuit zwaarwegend financieel-organisatorisch oogpunt daartegen geen beletselen bestaan. .

Rechtspraak bij dit artikel