De duur van de vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die in het kalenderjaar wordt bereikt, verhoogd met het volgende leeftijdsverlof:
bij een leeftijd van 18 jaar en jonger
21,6 uur
bij een leeftijd van 19 jaar
14,4 uur
bij een leeftijd van 20 jaar
7,2 uur
bij een leeftijd van 30 t/m 39 jaar
7,2 uur
bij een leeftijd van 40 t/m 44 jaar
14,4 uur
bij een leeftijd van 45 t/m 49 jaar
21,6 uur
bij een leeftijd van 50 t/m 54 jaar
28,8 uur
bij een leeftijd van 55 t/m 59 jaar
36 uur
bij een leeftijd van 60 jaar en ouder
43,2 uur
Op verzoek van de ambtenaar kunnen burgemeester en wethouders jaarlijks maximaal 21,6 uren leeftijdsverlof uitbetalen, indien vanuit zwaarwegend financieel-organisatorisch oogpunt daartegen geen beletselen bestaan.
.