In de sanctiestrategie is aangegeven hoe wordt omgegaan met geconstateerde overtredingen. De sanctiestrategie (ook wel interventiestrategie genoemd) wordt gehanteerd als leidraad om te bepalen hoe er formeel gereageerd wordt op geconstateerde overtredingen. Uitgangspunt is de ‘beginselplicht tot handhaving’ zoals deze in de rechtspraak is geformuleerd. Dit houdt in dat van de overheid in beginsel verwacht mag worden dat zij handhavend optreedt tegen geconstateerde overtredingen.
In de toelichting op het Besluit omgevingsrecht wordt bepaald wat de doelstelling van de sanctiestrategie is. De sanctiestrategie moet inzicht geven in het bestuursrechtelijk optreden door het bestuursorgaan. Dat wil zeggen het opleggen en uitvoeren van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom, het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning/ontheffing, of juist het expliciet achterwege laten van handhaving in een situatie waarin dat beter op zijn plaats is dan handhaven. De strategie ten aanzien van het gedogen wordt uiteengezet in paragraaf 3.4.
Basislijn sanctionering
Reeds eerder is aangegeven dat de gemeente Heerenveen voorafgaand aan de formele sanctieprocedure in gesprek zal treden met de overtreder. Middels deze vorm van actieve communicatie wordt uitleg geven over de geconstateerde overtreding en wordt de overtreder aangespoord de overtreding te beëindigen. Indien op voorhand, of gedurende dit voortraject blijkt dat het gesprek niet het gewenste effect zal hebben, wordt het formele handhavingstraject ingezet.
Daarbij geldt als hoofdregel dat alle overtredingen volgens een drie-stappenplan worden afgehandeld. Dit houdt in dat bij constatering van een overtreding eerst een waarschuwing wordt gegeven in de vorm van een eerste brief. Blijkt bij hercontrole dat de overtreding nog niet (geheel) ongedaan is gemaakt, dan wordt het voornemen uitgesproken tot aanschrijving van een bestuursrechtelijke sanctie. Als bij de tweede hercontrole nog steeds sprake is van een overtreding, dan wordt een sanctiebeschikking opgemaakt met een termijn waarbinnen de overtreding ongedaan moet worden gemaakt. Is de overtreding na die begunstigingstermijn nog steeds niet ongedaan gemaakt, dan wordt de sanctie daadwerkelijk opgelegd.
Bestuurlijke instrumenten
Voor de aanpak van overtredingen staat de gemeente Heerenveen een aantal instrumenten ter beschikking. Hoofdstuk 5 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) geldt als juridische basis voor deze bestuursrechtelijke instrumenten. De navolgende instrumenten laten zich onderscheiden:
Last onder bestuursdwang (artikel 5: Awb);
Last onder dwangsom (artikel 5:32 Awb);
Preventieve last onder dwangsom (artikel 5:32, lid 2, Awb);
Intrekking begunstigde beschikking; (geregeld in de bijzondere wetten)
Invordering dwangsommen
Zodra na het verstrijken van de begunstigingstermijn bij een (preventieve)last onder dwangsom wordt geconstateerd dat de strijdige situatie niet is opgeheven, worden één of meerdere dwangsommen verbeurd. De overtreder wordt schriftelijk op de hoogte gesteld dat hij van rechtswege een dwangsom heeft verbeurd. Een verbeurde dwangsom moet vervolgens worden betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd (artikel 5:33 Awb). Als de overtreder na het verstrijken van deze termijn niet heeft voldaan aan de betalingsverplichting, zal middels een invorderingsbeschikking de te betalen dwangsom en wettelijke rente worden vastgesteld. Een dergelijke invorderingsbeschikking is conform de Awb vatbaar voor bezwaar en beroep. De invorderingsbeschikking dient te worden gegeven voordat de overtreder met een dwangbevel kan worden aangemaand de verschuldigde dwangsom te betalen. Als hoofdregel geldt dat de gemeente Heerenveen conform de hierboven beschreven procedure zal overgaan tot invordering van de verschuldigde dwangsommen. Het achterwege laten van deze invordering kan de effectiviteit en preventieve werking van handhavingsinstrument uithollen en ondermijnen.
Strafrechtelijke instrumenten
De bovenstaande handhavingsinstrumenten hebben een zogenaamd reparartoir karakter. Het primaire doel dat met de inzet van deze middelen wordt beoogd is het opheffen van de strijdig situatie. De onderstaande instrumenten hebben daarentegen een strikt punitatief (bestraffend) karakter, waar een preventieve werking van uit moet gaan:
Administratieve of bestuurlijke boete (artikel 5:40 Awb);
Bestuurlijke strafbeschikking (Wetboek van strafrecht en Wetboek van strafvordering)
Gelijktijdige werking
Op grond van artikel 5:6 Awb is het niet mogelijk een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang gelijktijdig voor dezelfde overtreding op te leggen. Het opleggen van deze herstelsancties na elkaar is wel toegestaan. In voorkomende gevallen zal in tweede aanleg gekozen worden voor het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien na het opleggen van één of meerdere lasten onder dwangsom de overtreding niet is opgeheven. Bij sommige overtredingen (delicten) kunnen bestuurlijke herstelsancties en strafrechtelijke handhaving naast elkaar plaatsvinden. Op grond van artikel 5:17 Wabo moet een exemplaar van de (straf)beschikking worden toegezonden aan de andere bestuursorganen die bevoegd zijn tot bestuursrechtelijke handhaving.
Bestuurlijke strafbeschikking
Op 14 januari 2009 zijn de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte én het bijbehorende besluit (BBOOR) in werking getreden. De wet geeft gemeenten een zelfstandige bevoegdheid om op te treden tegen veel voorkomende en overlastveroorzakende, lichte overtredingen van de APV en de Afvalstoffenverordening. De gemeente moet daarvoor een Buitengewoon Opsporingsambtenaar (Boa) in dienst hebben. Bij verordening moet vastgelegd worden voor welke overtredingen een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De inning van de boetes en het hele proces van oplegging en afdoening wordt door de gemeente uitgevoerd. Dit vereist dus veel inzet van de gemeente.
De Wet OM-afdoening is vanaf 2006 van kracht. De wet is vanaf 2010 ook van toepassing op gemeenten, provincies en waterschappen. De wet stelt gemeenten in staat bij overtreding van de APV een bestuurlijke strafbeschikking op te leggen aan de overtreder. Het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking geeft de mogelijkheid om evenals bij de bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte aan te pakken. Het feitencomplex is vergelijkbaar met die van de bestuurlijke boete. Eén van de verschillen met de bestuurlijke boete is dat er een strafbaar feit wordt begaan waartegen in verzet kan worden opgekomen bij het OM.
De bestuurlijke boete en de bestuurlijke strafbeschikking kunnen niet beide door de gemeente worden ingezet om overlast in de openbare ruimte aan te pakken. De gemeente moet daarin een keuze maken. Dit heeft de gemeente reeds gedaan: in september 2010 is middels een collegebesluit gekozen voor de bestuurlijke strafbeschikking. In het kader van de leeftijdscontrole op drankverstrekking (<16 jr.) van de DHW, ligt een keuze voor een aparte Boa voor de hand. Hiervoor is een kleine uitzetting van de handhavingscapaciteit nodig (zie Hoofdstuk 4.2, Capaciteit).
De Buitengewoon opsporingsambtenaar (Boa) van de gemeentelijke afdeling IBOR (Inrichting Beheer Openbare Ruimte) is bevoegd een bestuurlijke strafbeschikking op te leggen bij het verkeerd aanbieden van (huishoudelijk)afval en bij overtreding van opruimgebod van hondenpoep binnen de bebouwde kommen van de gemeente Heerenveen.
De Boa in het kader van de DHW speelt een rol bij de preventie en toezicht/handhaving van de leeftijdscontrole (< 16 jr.) op alcoholverstrekking. Hiervoor wil de gemeente een tweesporenbeleid volgen, waarbij het zwaartepunt ligt op preventie (voorlichting via Jeugd- en Alcoholbeleid) en waarbij de repressieve handhaving (via de Boa) beperkt blijft. Deze strategie past in onze toezichtcultuur, die is gericht op voorlichting en communicatie. De benodigde capaciteit wordt, gelet op ervaringscijfers van pilotgemeenten, geschat op 0,3 fte.