Burgemeester en wethouders kunnen alleen medewerking verlenen aan een verzoek voor het afwijken
van een bestemmingsplan onder de voorwaarde dat:
de afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan
de stedenbouwkundig kwaliteit van de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is;
de brand- en constructieve veiligheid van het bouwwerk en de naastgelegen bouwwerken niet worden aangetast;
de aspecten bezonning van tuinen en lichttoetreding van naburige percelen door het verzoek niet onevenredig wordt aangetast. Indien nodig kan aanvrager worden verzocht een en ander nader te onderbouwen met een onderzoek;
het verzoek geen onevenredige hinder geeft aan de aspecten verkeer en parkeren in de naastgelegen omgeving;
er geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering;
een bouwwerk of gebruik welke op grond van een als ontwerp ter inzage gelegd bestemmingsplan is toegelaten. In dergelijke gevallen kan in anticipatie op dit bestemmingplan worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan aangezien de ontwikkeling past in het toekomstig planologisch regime.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Algemene criteria
Onderdeel van Afwijkingenbeleid-bebouwde kom, herziening 2013