Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats voor
zover:
op grond van aanwijzingen uit het onderzoek het ernstige
vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het
omgaan met een persoonsgebonden budget;
uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager al eerder een
persoonsgebonden werd toegekend en de aanvrager zich toen niet
gehouden heeft aan de opgelegde verplichtingen;
van de aanvrager bekend is dat er schulden en/of schuldeisers
zijn;
er sprake is van bezwaren van overwegende aard op grond van
individuele omstandigheden;
er anderszins aanleiding is te kiezen voor een andere vorm van
verstrekking dan een persoonsgebonden budget;
er sprake is van een collectieve voorziening die gezien aard en
functie aangemerkt kan worden als adequate voorziening.
Hoofdstuk 3
Artikel 21
Afwijzingsgronden persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning