Bij toekenning van het persoonsgebonden budget gelden in ieder geval de
volgende verplichtingen:
een persoonsgebonden budget wordt uitsluitend gebruikt voor de
voorziening die noodzakelijk is voor de realisering van het te
bereiken resultaat;
bij de bepaling van de hoogte van persoonsgebonden budget geldt
te allen tijde de goedkoopst-compenserende voorziening;
het persoonsgebonden budget mag niet worden aangewend voor de
betaling van de eigen bijdrage;
de voorziening die de aanvrager inkoopt met het persoonsgebonden
budget dient adequaat, veilig en kwalitatief verantwoord te
zijn;
de aanvrager dient een particuliere
aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten voor schade die door
het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan;
de aanvrager wordt budgethouder en krijgt hiermee
administratieve lasten. Deze administratieve lasten verschillen
per maatregel;
bij verstrekking van een persoonsgebonden budget voor hulp bij
het huishouden moeten de documenten, waaronder het zorgcontract,
declaratieformulier, het betalingsbewijs, bankafschriften en bij
contante betaling kwitanties, vijf jaar bewaard worden. De
aanvrager stelt deze jaarlijks ter beschikking aan het
college;
bij verstrekking van een persoonsgebonden budget voor overige
voorzieningen moeten de documenten, waaronder de rekening, het
betalingsbewijs en bankafschriften en bij contante betaling
kwitanties, zeven jaar bewaard worden. De aanvrager stelt deze
desgevraagd ter beschikking aan het college;
de aanvrager dient bij een persoonsgebonden budget voor
diensten, zoals hulp bij het huishouden, een urenadministratie
bij te houden waaruit blijkt welke hulpverlener heeft gewerkt,
op welke data en welke uren;
de aanvrager dient een overeenkomst af te sluiten met de
hulpverlener en/of leverancier;
de uitbetaling van het persoonsgebonden budget vindt in beginsel
in termijnen plaats. De aanvrager krijgt één keer in de vier
weken uitbetaald.
Hoofdstuk 3
Artikel 22
Verplichtingen persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning