1. 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
  2. 2. Deze voorschriften en beperkingen kunnen alleen gesteld worden in het belang of de belangen in verband waarmee de

    vergunning, vrijstelling of ontheffing is vereist.

  3. 3. Degene aan wie krachtens deze verordening een vrijstelling of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden

    voorschriften en beperkingen na te leven.