1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
de vergunning indien de
vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een
geldend bestemmingsplan
2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
als naar zijn oordeel het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de
aanwezigheid van de inrichting
nadelig wordt beïnvloed.
3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
weigeringsgrond houdt de burgemeester
rekening met:
a.het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is
gelegen of zal komen te
liggen;
de aard van de inrichting;
de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse
reeds blootstaat of bloot zal komen
te staan door de exploitatie van de inrichting;
d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de
inrichting in deze of in
andere inrichtingen;
de intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 2:29c, vierde
lid, onder b tot en met i.
De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor
onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk
intrekken of wijzigen indien:
a.blijkt dat de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige
gegevens en bescheiden is
verleend;
b.de exploitant of de beheerder de bepalingen in deze paragraaf, dan
wel de voorschriften,
behorende bij de vergunning, overtreedt;
c.aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder betrokken is, of
hem ernstige nalatigheid kan
worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
gevaar opleveren voor de
openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat
in de omgeving van
de inrichting;
d.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
inrichting, dan wel toestaat of gedoogt
dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
e.de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie
naar ras, geslacht of
seksuele geaardheid;
f.zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
voorgedaan, die de vrees wettigen,
dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de
openbare orde of een
bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
inrichting;
g.er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe
vergunning is
aangevraagd;
h.op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten,
opgetreden na het verlenen
van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt
gevorderd door de
belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;
de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel
2:28a gestelde eisen.
er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen
werkzaam zijn of zullen zijn in
strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000
bepaalde.
HOOFDSTUK 2 › Afdeling 7
Artikel 2:29c
Weigerings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2013