1. Een vergunning kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden
verleend.
2. Een aanvraag om verlenging na afloop van de geldigheidsduur van een
vergunning geldt als een nieuwe aanvraag om een vergunning.
3. Aan een vergunning kunnen voorschriften en/of beperkingen worden
verbonden ter bescherming van de belangen die ten grondslag liggen aan
de betreffende bepalingen.
4. De aan een vergunning verbonden voorschriften en/of beperkingen
kunnen worden gewijzigd indien op grond van een verandering van de
omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning
moet worden aangenomen dat wijziging wordt gevorderd door het belang of
de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is verleend.
5. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning is verleend,
is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
komen.
6. Een vergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuig gebonden. Dat wil
zeggen dat bij iedere wijziging in één van deze omstandigheden een
nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.