Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 10.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013

1.. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 8, vierde lid onderdeel b van deze verordening, wordt een verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de berekeningsgrondslag gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de berekeningsgrondslag gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de berekeningsgrondslag gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de berekeningsgrondslag gedurende een maand. 3.. Onverminderd lid 2 wordt in geval geen gebruik is gemaakt van een voorliggende voorziening een verlaging op de volgende wijze vastgesteld: wanneer het betreft algemene bijstand: 100% van de berekeningsgrondslag gedurende een maand; wanneer het betreft bijzondere bijstand: 100% van het voor bijzondere bijstand in aanmerking komende bedrag ongeacht de periode waarover aanspraak gemaakt kan worden op bijzondere bijstand. 4.. Onverminderd lid 2 wordt, indien en voor zover het recht op bijstand een gevolg is van het niet kunnen beschikken over middelen waarover men, indien er geen sprake zou zijn geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, had kunnen beschikken of redelijkerwijs had kunnen beschikken, een verlaging opgelegd ter hoogte van het recht op bijstand (ongeacht de periode waarover aanspraak gemaakt kan worden op de bijstand).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel