1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, tweede
lid WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
als bedoeld in artikel 9 van deze verordening of het geen beroep kunnen
doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening in verband
met verrekening met een bestuurlijke boete, wordt vastgesteld op:
a. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
benadelingsbedrag tot € 5.000,--;
b. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een
benadelingsbedrag vanaf € 5.000,-- tot € 10.000,--;
c. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een
benadelingsbedrag vanaf € 10.000,--;
2. Indien sprake is van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid in relatie met het recht op bijzondere bijstand van
een belanghebbende, wordt de verlaging vastgesteld op het
benadelingsbedrag.
3. Indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende
en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze wordt verrekend met
een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van
de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van honderd procent
gedurende de eerste drie maanden van de bijstandsverlening gerekend
vanaf de start van de verrekening.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 11.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2013