Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2.

Artikel 8.

De gedragingen betreffende de arbeidsinschakeling en de omvang van de verlaging van de norm

Onderdeel van Maatregelverordening Weert 2012

1.. Het door de uitkeringsgerechtigde niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 WWB en artikel 55 WWB, artikel 37 Ioaw en artikel 37 Ioaz worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: Niet tijdige inschrijving bij het UWV WERKbedrijf, alsmede de verlenging daarvan. Tweede categorie: het niet direct melden van de reden van niet-naleving van de re-integratieverplichting; het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard; het niet, danwel in onvoldoende mate, voldoen aan de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie. Derde categorie: het niet, danwel onvoldoende meewerken aan de totstandkoming, uitvoering of evaluatie van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB; het door een belanghebbende jonger dan 27 jaar gedurende de wachttijd in onvoldoende mate in houding en gedrag vertonen van actief zoekgedrag naar algemeen geaccepteerde arbeid. Vierde categorie: het onvoldoende meewerken aan de totstandkoming, uitvoering en evaluatie van een traject gericht op arbeidsinschakeling, waaronder het onvoldoende meewerken aan een (medisch) onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Hieronder wordt mede verstaan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 9a WWB; het stellen van onredelijke eisen in verband met door de uitkeringsgerechtigde te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; Het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten, met uitzondering van de tegenprestatie; het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door de uitkeringsgerechtigde; 2.. Voor de omvang van de maatregel per categorie geldt een verlaging van: 10 procent van de norm bij gedragingen van de eerste categorie; 25 procent van de norm bij gedragingen van de tweede categorie; 50 procent van de norm bij gedragingen van de derde categorie; 100 procent van de norm, bij gedragingen van de vierde categorie.

Rechtspraak bij dit artikel