Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2.

Artikel 9.

Overige gedragingen en de omvang van de verlaging

Onderdeel van Maatregelverordening Weert 2012

1.. Gedragingen als bedoeld in artikel 8 eerste lid die gepaard gaan met zeer ernstige misdragingen hebben een extra verlaging van de norm tot gevolg. De verlaging bedraagt: 25% van de norm gedurende één maand bij een zeer ernstige misdraging; 100% van de norm gedurende één maand bij een zeer ernstige misdraging in de vorm van een bedreiging of bij een zeer ernstige misdraging waarbij aangifte bij de politie wordt gedaan, danwel waarbij er sprake is van een verschijningsverbod. 2.. Gedragingen van de uitkeringsgerechtigde die betrekking hebben op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan hebben een verlaging van de norm tot gevolg, afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, met in achtneming van onderstaande: indien het benadelingsbedrag niet vast te stellen is, geldt een verlaging van 25% tot het moment dat uitkeringsgerechtigde de tekortkoming heeft opgeheven; indien het benadelingsbedrag vast te stellen is, wordt de norm verlaagd overeenkomstig het benadelingsbedrag; in geval van onverantwoord interen bij vermogen door een WWB-, Bbz- of Ioaz-uitkeringsgerechtigde geldt een verlaging van 25% van de norm gedurende een periode overeenkomstig de fictieve interingstermijn, met een maximum van 36 maanden. Indien een uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen afhankelijk wordt van de WWB, Ioaw, Ioaz geldt een verlaging van 100% gedurende één maand. Indien vastgesteld kan worden dat het nalaten van het verwijtbare gedrag had geleid tot het twee of meer maanden later ingaan van de bijstand of uitkering geldt, in afwijking van sub d, een verlaging van 100% gedurende twee maanden. Van deze situatie is in elk geval sprake dien er naar het oordeel van het college sprake is van een verwijtbare beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep van de uitkeringsgerechtigde.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel