Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5

Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Bbz 2004, IOAW, IOAZ gemeente Kerkrade 2013 / A

Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. De hoogte van de verlaging stellen wij vast op basis van een percentage van de bijstandsnorm, dat geldt over de maand waarin de maatregel bekend gemaakt wordt. Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. Als de uitkering al beëindigd of ingetrokken is, kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast (zie lid 2). Het afstemmingsbesluit, dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB, respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW en IOAZ, worden teruggevorderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel