Bijstandsnorm (lid 1)
In artikel 6 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ.
Er wordt dus geen rekening gehouden met het moeten verrekenen van inkomsten. Eerst wordt de verlaging toegepast, dan de inkomsten verrekend. Is de na toepassing van de verlaging overgebleven ruimte onvoldoende om de inkomsten volledig te verrekenen, dan dient het restant van die inkomsten een volgende maand verrekend te worden.
Deze werkwijze lijkt heel onrechtvaardig, maar is dat toch niet. De klant krijgt een maatregel opgelegd, omdat hij een verplichting niet (voldoende/juist) is nagekomen. Het feit dat hij / zij een deel van zijn inkomen zelf bij elkaar werkt maakt de overtreding niet minder erg of minder verwijtbaar.
Uiteraard kan met gebruikmaking van artikel 18 lid 1 WWB altijd gemotiveerd afgeweken worden van de vastgestelde maatregel.
Bijzondere bijstand (lid 2, 3 en 4)
In artikel 6 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het 3e lid geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm +/+ de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB.
Artikel 6 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.
De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een langdurigheidstoeslag.
Hoofdstuk 5
Artikel 6
Berekeningsgrondslag
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Bbz 2004, IOAW, IOAZ gemeente Kerkrade 2013 / A