Het college kan een vergunning wijzigen, schorsen of intrekken indien:
ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, hetgeen tot een ander besluit op de aanvraag om vergunning zou hebben geleid;
de houder van de vergunning handelt in strijd met een of meer bij of krachtens deze verordening gestelde regels of hieraan niet langer voldoet;
de houder van de vergunning zich schuldig maakt aan handelingen of gedragingen die in ernstige mate afbreuk doen aan het belang van de kwaliteit van taxivervoer.
de vergunninghouder hier om vraagt;
de vergunninghouder de vergunning kennelijk gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend;
zich een wijziging voordoet in de omstandigheden en voor zover die gewijzigde omstandigheden zich naar het oordeel het college verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning.
Paragraaf 3
Artikel 11
Gronden voor wijziging, schorsing of intrekking vergunning
Onderdeel van Taxiverordening Den Haag 2014