Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel B017

Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland

Onderdeel van Richtlijnen Bijstand

Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB) B e s l u i t Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B017 Meldingsplicht vakantie / verblijf in het buitenland Artikel I Richtlijn B017 wordt als volgt ingevuld: Personen die langer dan de wettelijk toegestane periode verblijf houden buiten Nederland hebben geen recht op (algemene en bijzondere) bijstand (artikel 13 lid 1 onderdeel e WWB jo. artikel 13 lid 4 WWB). De wettelijk toegestane "vakantieduur" is afhankelijk van de leeftijd van een belanghebbende. De periode die personen van 65 jaar of ouder met behoud van bijstand in het buitenland mogen verblijven bedraagt maximaal 13 weken per kalenderjaar. De periode die personen jonger dan 65 jaar met behoud van bijstand in het buitenland mogen verblijven bedraagt maximaal vier weken per kalenderjaar. De vakantieperiode hoeft niet aaneengesloten opgenomen te worden. Het is derhalve mogelijk dat een belanghebbende in één kalenderjaar meerdere malen met behoud van uitkering in het buitenland verblijft, zolang de gezamenlijke duur maar niet meer bedraagt dan vier weken. Verder geldt dat de belanghebbende een deel van de periode waarin hij in een kalenderjaar in het buitenland mag verblijven kan combineren met een deel van de periode van het daarop volgende kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten verblijfsperiode in het buitenland niet langer mag zijn dan vier weken. Een en ander volgt uit artikel 13 lid 1 onderdeel e WWB. De wettelijke vakantieduur geldt per individu en is niet overdraagbaar of verhandelbaar. Het feit dat gehuwden bijstand ontvangen naar de norm gehuwden heeft geen invloed op het individuele recht op 4 of 13 weken vakantie in het buitenland voor ieder van de gehuwden afzonderlijk. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de mogelijkheid van 4 of 13 weken vakantie in het buitenland bepalen de gehuwden zelf. Of de gehuwden samen of apart met vakantie naar het buitenland gaan is hun eigen keuze. Vakantieverlof in zowel het buitenland als in Nederland moet vooraf worden aangevraagd. (Voor vakantie in Nederland zie ook het handboek WWB hoofdstuk B3.11 paragraaf 3.) Aanvraag De belanghebbende dient vakantie in het buitenland of een verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente tussen 1 en 5 dagen voor vertrek te melden (ingevolge artikel 17 lid 1 WWB) via het vakantieformulier. Dit formulier dient persoonlijk door de belanghebbende te worden ingeleverd bij de receptie W&I. Op het formulier moet de vakantieperiode worden aangegeven. De belanghebbende dient op de eerste werkdag na terugkeer van de vakantie in het buitenland of het verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente, zich persoonlijk terug te melden bij de receptie W&I met een legitimatiebewijs. Op de dag dat een belanghebbende uit Nederland vertrekt en op de dag dat hij terugkeert is hij zowel in Nederland als in het buitenland. Uit artikel 13 WWB volgt niet zonder meer of deze dagen moeten worden meegeteld bij de vraag of een belanghebbende langer dan toegestaan in het buitenland heeft verbleven. Een redelijke wetsuitleg maakt dat, ongeacht het aantal uren op die dagen dat daadwerkelijk in Nederland is verbleven, één van beide dagen wel moet meetellen als verblijf in het buitenland en de andere als verblijf in Nederland. Uit praktisch oogpunt moet de dag van vertrek uit Nederland gelden als dag waarop nog in Nederland is verbleven en dat de dag van terugkeer moet gelden als een dag waarop in het buitenland is verbleven (zie CRvB 22-03-2011, nrs. 09/1768 WWB e.a.). Meldt de belanghebbende zich niet terug, dan voldoet hij niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB en wordt zijn bijstand opgeschort op grond van artikel 54 lid 1 WWB. Deze opschorting wordt hem schriftelijk meegedeeld, waarbij hij de gelegenheid krijgt om zich alsnog binnen een week persoonlijk te melden. Voldoet hij niet aan deze oproep, dan wordt de bijstand ingetrokken met ingang van de dag waarop deze was opgeschort (artikel 54 lid 4 WWB). Meldt hij zich wel dan wordt de opschorting opgeheven en moet er een verlaging volgen op grond van de Maatregelenverordening. Het niet melden van verblijf in het buitenland of een (langdurig) verblijf buiten de gemeente is een schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB. Bij constatering daarvan moet de bijstand verlaagd worden met toepassing van de Maatregelenverordening. Eventueel ten onrechte verleende bijstand zal moeten worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB. Daartoe is een intrekkingsbesluit vereist op grond van artikel 54 lid 3 onderdeel a WWB. Er is geen recht op een vakantieperiode indien de belanghebbende naar het buitenland vertrekt en geen inlichtingen meer verstrekt. De belanghebbende van buitenlandse afkomst mag aansluitend aan de 4 weken nog 2 weken zonder behoud van uitkering in het buitenland blijven als: * hij gaat naar het land van herkomst, * om zijn familie te bezoeken, én * hij hiervan vooraf mededeling heeft gedaan. Voor anderen geldt dezelfde regeling als sprake is van een vergelijkbare situatie, zoals iemand met Nederlandse nationaliteit van Surinaamse afkomst, of een Nederlander die geëmigreerde familie wil bezoeken. Onder genoemde voorwaarden kan de beëindigde uitkering per datum terugkeer worden voortgezet en hoeft er geen nieuw aanvraagtraject te worden gestart. Er wordt, om administratieve redenen, gehandeld als ware de uitkering opgeschort. Artikel II De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012, De secretaris, De Voorzitter, (mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak) Bekend gemaakt op: 8 november 2012

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel