Het college van burgemeester en wethouders,
Gelet op artikel 31, tweede lid, onderdeel n en r Wet werk en bijstand (WWB)
B e s l u i t
Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating
Artikel I
Richtlijn B147 wordt als volgt ingevuld:
In beginsel komt elke vorm van betaald werk in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel n en r WWB. Dit geldt zowel voor de belanghebbende die reeds algemene bijstand ontvangt als voor de belanghebbende die voor het eerst aanvullende algemene bijstand gaat ontvangen. De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating wordt door de klantbegeleider in overleg met de belanghebbende vastgesteld. Deze ingangsdatum kan niet in het verleden liggen. De belanghebbende tekent voor de periode van inkomstenvrijlating een verklaring welke aan het dossier wordt toegevoegd.
Inkomsten uit illegale activiteiten zijn niet vrijgelaten, omdat van illegale activiteiten niet gezegd kan worden dat ze de re-integratie bevorderen.
Verzwegen inkomsten kunnen (als zij achteraf geconstateerd worden) niet in aanmerking komen voor de vrijlating, daar het achteraf vrijlaten niet meer bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Ongeacht de duur van de arbeid geldt de vrijlating op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB voor maximaal zes aaneengesloten maanden. Daarna worden de inkomsten volledig op de uitkering in mindering gebracht. De maximale periode van zes aaneengesloten maanden heeft betrekking op de inkomstenvrijlating en niet op de arbeidsinkomsten of op de arbeid. De omstandigheid dat arbeid in deze periode onderbroken is, verandert op zichzelf niets aan de maximale duur van de inkomstenvrijlating: als het college eenmaal een begindatum van de inkomstenvrijlating heeft vastgesteld, dan eindigt deze inkomstenvrijlating uiterlijk zes maanden later en blijft de inkomstenvrijlating gedurende de gehele aldus vastgestelde periode van kracht. Oftewel: de omstandigheid dat in deze vastgestelde periode van ten hoogste zes maanden arbeid is beëindigd en, na een tijdelijke onderbreking, weer is hervat, doet niet ter zake voor de maximale duur van de inkomstenvrijlating.
Alhoewel de WWB daar geen uitsluitsel over geeft, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat de vrijlating meerdere periodes wordt toegepast. Uitgangspunt voor de vrijlatingsbepaling was, om het college in individuele situaties de mogelijkheid te geven voor een beperkte periode de inkomsten uit arbeid vrij te laten, als het college van oordeel is dat dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling én als deze vrijlating iemand "over de drempel helpt". De regeling is dus éénmalig. Als de uitkering is beëindigd en de belanghebbende ontvangt daarna, niet aansluitend, een bijstanduitkering dan ontstaat nieuw recht en dus ook de mogelijkheid van de vrijlatingsregeling.
Alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een of meer ten laste komende kinderen tot 12 jaar, kunnen na de reguliere inkomstenvrijlating (op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB) voor de periode van maximaal 6 maanden, nog voor maximaal 30 maanden in aanmerking komen voor een aanvullende inkomstenvrijlating (op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel r WWB). Deze vrijlating is geregeld in artikel 31 lid 2 onderdeel r WWB. De wetgever vindt het belangrijk dat ook alleenstaande ouders gestimuleerd worden te gaan werken. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat zij vanwege de combinatie van werk en zorgtaken vaak langer de tijd nodig hebben om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit te stromen.
Voor toepassing van de aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders is vereist dat:
de alleenstaande ouder de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar;
de periode van zes aaneengesloten maanden waarvoor hij in aanmerking komt voor de reguliere inkomstenvrijlating is verstreken en;
dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
Net als bij de reguliere inkomstenvrijlating van maximaal 6 maanden, zoals bovenstaand aangegeven, geldt ook bij deze inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders dat wanneer de begindatum eenmaal is vastgesteld, de inkomstenvrijlating uiterlijk 30 maanden eindigt.
Zowel de reguliere inkomstenvrijlating als de aanvullende inkomstenvrijlating voor een alleenstaande ouder met de volledige zorg voor een tot zijn last komend kind jonger dan 12 jaar, is niet van toepassing voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 WWB). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen en daar is naar het oordeel van de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig.
Artikel II
De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.
Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 december 2010 vastgestelde richtlijn ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,
De secretaris, De Voorzitter,
(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)
Bekend gemaakt op:
8 november 2012
Hoofdstuk 4
Artikel B147
Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating
Onderdeel van Richtlijnen Bijstand