Het college van burgemeester en wethouders,
Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en h, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)
B e s l u i t
Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B044 Overzicht hoogte verlagingen
Artikel I
Richtlijn B044 wordt als volgt ingevuld:
Op grond van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Deurne worden de volgende verlagingen toegepast:
5% van de uitkering gedurende een maand:
Wanneer de verplichting op grond van artikel 17 WWB niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn is verstrekt (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar).
Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar). Hierbij moet gedacht worden aan de zogeheten "nulfraude": het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van de zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligwerswerk.
20% van de uitkering gedurende een maand:
Wanneer niet de gevraagde medewerking wordt verleend die nodig is voor de uitvoering zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 WWB. Hieronder wordt verstaan een algemene medewerkingsverplichting.
Wanneer aan de belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 WWB zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen. Hierbij wordt bedoeld op de mogelijkheid om de naast de in Hoofdstuk 2 van de WWB opgenomen verplichtingen die aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische behandeling te stellen is reeds expliciet opgenomen in artikel 55 WWB. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur.
20% van de uitkering gedurende een bepaalde periode: Wanneer een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt betoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Hieronder wordt verstaan dusdanige gedragingen die tot (meer) bijstandsbehoeftigheid geleid hebben, anders dan de overige expliciet genoemde gedragingen in de Maatregelenverordening. Hieronder valt onder meer het op onverantwoorde wijze interen van vermogen, geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening, onderbedeling bij echtscheiding, het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering, het langer dan toegestaan verblijven in het buitenland, niet verzekerd zijn tegen brandschade of wettelijke aansprakelijkheid jegens derden. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang de betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven indien wel voldoende besef van verantwoordelijkheid was betoond. De maatregel bedraagt dan:
20% van de uitkering gedurende een maand bij een periode van 3 maanden of korter.
20% van de uitkering gedurende drie maanden bij een periode van 3 maanden tot 6 maanden.
20% van de uitkering gedurende zes maanden bij een periode van 6 maanden en langer.
20% van de uitkering gedurende een maand, indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld.
20% van de uitkering gedurende een nader te bepalen periode: Bij het onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt de maatregel opgelegd over een zodanige periode dat het bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra is verstrekt doch maximaal vijf jaar.
20% tot 100% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB geleid heeft tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bruto bijstand. Dit is de verleende bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen krachtens de Wet op de loonbelasting 1964. Bij de vaststelling van de verlaging wegens inlichtingenfraude komt de ernst van de gedraging dus tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.
Bij een bruto benadelingsbedrag tot € 1.000,-- bedraagt de maatregel 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
Bij een bruto benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,-- bedraagt de maatregel 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
Bij een bruto benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,-- bedraagt de maatregel 60% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
Bij een bruto benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Het opleggen van de maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Indien de WWB-uitkering van de belanghebbende doorloopt, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm (zie ook richtlijn B048).
Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast. Dit houdt in een herziening van het recht op bijstand tot het bedrag van de maatregel over de periode volgend op de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden. Dit betreft de situatie dat over de periode waarin deze schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd. In de situatie dat over deze periode de verstrekte bijstand niet volledig wordt teruggevorderd, kan de herziening tot het bedrag van de maatregel plaatsvinden over dezelfde periode. De herziening resulteert in een terugvordering van bijstand. Bij niet tijdige betaling van deze extra terugvordering voortvloeiend uit de maatregel kunnen de kosten die voortvloeien uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen, voor rekening van de belanghebbende worden gebracht (de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten).
Is aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, de uitkering beëindigd, dan kan de maatregel niet geëffectueerd worden. In dit geval kan de maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Indien de belanghebbende op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel alsnog worden opgelegd. De belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.
Voorbeeld: belanghebbende ontvangt sedert 1 juli 2011 een uitkering. In juni 2012 wordt geconstateerd dat belanghebbende sedert 1 februari 2012 inkomsten heeft boven de norm waardoor de uitkering per 1 februari 2012 wordt beëindigd. De ten onrechte genoten uitkering bedraagt € 6.500,--. Per 15 september 2013 vraagt belanghebbende wederom een uitkering aan. De maatregel met terugwerkende kracht kan niet worden geëffectueerd, aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, is de uitkering beëindigd. Bij het nieuwe recht ingaande 15 september 2013 kan er een maatregel worden opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Belanghebbende dient wel bij het besluit van de beëindiging van de uitkering en/of de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.
Indien echter de maatregel niet is uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar nadat het besluit tot het opleggen van de maatregel is genomen, komt de maatregel te vervallen.
Voorbeeld: inkomstenfraude boven de norm over de periode 01-02-2011 t/m 31-05-2011 wordt geconstateerd in maart 2012. In mei 2012 wordt het besluit tot terugvordering en opleggen van de maatregel over een toekomstig recht genomen. Deze maatregel kan vervolgens geëffectueerd worden tot mei 2017.
50% van de uitkering gedurende een maand:
Het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel c, WWB.
Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door het college aangeboden onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a WWB.
Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, WWB niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, WWB.
100% van de uitkering gedurende een maand:
Het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.
Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB.
Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot (arbeids)participatie anders dan het niet daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering.
Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.
Het stellen van onredelijke eisen of vertonen van gedraging(en) of uiting(en) ten aanzien van het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen hiervan belemmeren.
Andere gedragingen die de (arbeids)participatie belemmeren.
Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid WWB, waaronder begrepen sociale activering.
Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, WWB.
Het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar door het Rijk bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, WWB.
Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid.
Het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren.
Artikel II
De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.
Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,
De secretaris, De Voorzitter,
(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)
Bekend gemaakt op:
8 november 2012