Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel B149

Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

Onderdeel van Richtlijnen Bijstand

Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op de artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder b, en 34 Wet werk en bijstand (WWB) B e s l u i t Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B149 Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening Artikel I Richtlijn B149 wordt als volgt ingevuld: De navolgende begrippen worden gehanteerd: Feitelijk vermogen: de werkelijke bezittingen minus de werkelijke schulden; Vrij te laten vermogen: de bedragen zoals genoemd in artikel 34 lid 3 WWB; Resterend vrij te laten vermogen (rvtv): het bedrag dat iemand nog aan vermogen mag verwerven zonder het vrij te laten vermogen te overschrijden. Het resterend vrij te laten vermogen kan nooit hoger zijn dan het vrij te laten vermogen (= het bedrag genoemd in artikel 34 lid 3 WWB). Uit CRvB 04-05-2010, nrs. 08/5284 WWB e.a., blijkt wat het betekent voor de resterende vermogensruimte als het aanvangsvermogen negatief is vastgesteld. Volgens de CRvB kan de resterende vermogensruimte nooit groter zijn dan de op moment van de aanvang van bijstandsverlening toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 WWB. Dat betekent dat de resterende vermogensruimte niet wordt vergroot bij een negatief aanvangsvermogen. De consequentie daarvan is dat als de vermogensgrens wordt overschreden door een later ontvangst van vermogensbestanddelen, het recht op bijstand moet worden beëindigd, ongeacht of het actuele vermogenssaldo nog negatief is. Bij het vaststellen van het vermogen bij aanvang bijstand kan het volgende stappenplan worden gebruikt: Bepaal of het geld en de in geld waardeerbare goederen tot het in aanmerking te nemen vermogen moeten worden gerekend. Verreken de vrijlating saldo lopende rekening (zie richtlijn B019). De korting dient toegepast te worden op de lopende rekening (rekening-courant). Bij meerdere betaalrekeningen wordt er gesaldeerd. Stel de totale geldwaarde van alle bezittingen vast. Bepaal of op de aanwezige schulden een aflossingsverplichting rust. Hierdoor behoren deze tot de in aanmerking te nemen schulden. Stel het totaal van deze schulden vast. Het verschil tussen het positieve saldo (3) en het negatieve saldo (5) vormt de hoogte van het feitelijk vermogen. De uitslag kan een negatief saldo vertonen. Dan is sprake van een 'negatief vermogen'. Vermeld het bedrag van het (positieve of negatieve) feitelijk vermogen in de toekenningsbeschikking. Vermeld het bedrag van het vrij te laten vermogen in de toekenningsbeschikking. Vermeld het bedrag van het resterend vrij te laten vermogen in de toekenningsbeschikking (zie voorbeelden hieronder). Het vermelden van de bedragen ad 7, 8 en 9 in de toekenningsbeschikking is een verplichting omdat er, krachtens jurisprudentie, bij de vaststelling van het resterend vrij te laten vermogen sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit (rechtbank Arnhem, 31-01-2007; nr. AWB 05/5371, CRvB 23-12-2008, nr. 07/3951 WWB). Deze verplichting geldt dus ook bij vermogensvaststelling tijdens bijstandsverlening. Bij het vaststellen van het vermogen tijdens bijstand kan het volgende stappenplan worden gebruikt: Nadat het feitelijk vermogen, de vermogensvrijlating en het resterend vrij te laten vermogen (verder te noemen: rvtv) bij aanvang van de bijstand zijn vastgesteld, zullen veelal nieuwe schulden en/of nieuwe bezittingen ontstaan. Dan gelden de volgende uitgangspunten: Voor de vaststelling van het feitelijk vermogen worden zowel de negatieve als de positieve vermogensmutaties beoordeeld en meegenomen. Bij elke nieuwe vaststelling van het rvtv wordt uitgegaan van de vermogensgrens zoals die gold ten tijde van de aanvang van de bijstandsperiode ex art. 34 lid 3 WWB (CRvB 04-05-2010, nrs. 08/5284 WWB e.a., LJN: BM5530). Het rvtv wordt uitsluitend beïnvloed door de positieve vermogensmutaties. Voorbeelden Normbedrag vrij te laten vermogen is € 10.000,00. Ga uit van het laatst vastgestelde vermogen, bijvoorbeeld € 2.700,00, en verreken de mutatie die heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld een erfenis van € 6.000,00. Tijdens het onderzoek blijkt dat er ook sprake is van een schuld i.v.m. een noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen van € 2.000,00. Voorbeeld 1 Vermogen bij aanvang €2.700,00 Resterend vtlv €7.300,00 Erfenis €6.000,00 Resterend vtlv €1.300,00 Schuld €2.000,00 Nieuw vermogen €6.700,00 Resterend vtlv €1.300,00 Let op: er moet gekeken worden naar negatieve vermogenscomponenten. Om praktische redenen houden we alleen rekening met nieuwe schulden en niet met waardevermindering van vermogenscomponenten (bijvoorbeeld de afname van de waarde van de auto). Pas als het recht op bijstand in het geding komt wordt een specifieke berekening gemaakt waarbij ook met waardevermindering van vermogenscomponenten rekening wordt gehouden. Vervolgens is er sprake van een prijs van € 5.000,00. Er is geen recht op bijstand meer omdat: het resterend vrij te laten vermogen € 0,00 is geworden; én er sprake is van een positief vermogen, waardoor feitelijk in de noodzakelijke kosten van bestaan voorzien kan worden. De belanghebbende moet eerst interen voordat een nieuw beroep op bijstand mogelijk is. Omdat het recht op bijstand echter in het geding is, wordt in dit geval een exacte vermogensvaststelling gemaakt, dus inclusief waardevermindering van de bezittingen. Voorbeeld 2 Laatst vastgestelde vermogen €6.700,00 Resterend vtlv €1.300,00 Prijs €5.000,00 Resterend vtlv €0,00 Waardevermindering auto €2.500,00 Nieuw vermogen €9.200,00 Er is geen resterend vrij te laten vermogen en op basis van de exacte vermogensvaststelling (inclusief waardevermindering) blijft het vermogen positief. De belanghebbende moet interen. Het resterend vrij te laten vermogen was € 1.300,00 en er is € 5.000,00 bijgekomen. Het in te teren bedrag is € 3.700,00. Er kan ook sprake zijn van een resterend vrij te laten vermogen van € 0,00 en een feitelijk negatief vermogen waardoor niet voorzien kan worden in de noodzakelijke kosten van bestaan. In dat geval blijft er recht op bijstand bestaan. Wel kan een maatregel bezien worden om te kijken of het verwijtbaar is dat nog steeds bijstand verstrekt moet worden. Uitgaande van het bovenstaande voorbeeld is er nu ook sprake van een nieuwe schuld van € 10.000,00. Voorbeeld 3 Laatst vastgestelde vermogen €6.700,00 Resterend vtlv €1.300,00 Prijs €5.000,00 Resterend vtlv €0,00 Waardevermindering auto €2.500,00 Nieuwe schuld €10.000,00 Nieuw vermogen €800,00 negatief Het recht op bijstand blijft bestaan omdat: het resterend vrij te laten vermogen € 0,00 is; maar er feitelijk geen middelen zijn om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. De Memorie van Toelichting bij de WWB stelt ook dat de vermogensgrens niet kan worden opgerekt met de absolute waarde van een negatief aanvangsvermogen. Als echter ook na ontvangst van het vermogen boven de vermogensgrens het vermogenssaldo nog steeds negatief is, wordt het recht op bijstand desondanks niet beëindigd (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 63 bij voorbeeld e). Eigenlijk bevat de WWB helemaal geen grond voor deze nuancering, aangezien als eenmaal wordt vastgesteld dat er vermogen boven de vermogensgrens is ontvangen, dit meerdere vermogen dus wel in aanmerking moet worden genomen, hetgeen betekent dat er geen recht op bijstand kan bestaan (artikel 19 lid 1 onderdeel b WWB). Maar het in dergelijke gevallen beëindigen van het recht op bijstand staat natuurlijk wel haaks op de bedoeling van de wet als sociaal vangnet. De CRvB heeft hier nog geen oordeel over gegeven. In de uitspraak van de CRvB van 04-05-2010 hadden belanghebbenden na ontvangst van de vermogensbestanddelen geen negatief vermogen meer. Het blijft daarom mogelijk dat de CRvB ooit wel een dergelijke situatie moet beoordelen, hij toch ook ruimte vindt voor een nuancering als in het rekenvoorbeeld e in de Memorie van Toelichting. In het geval van voorbeeld 3 moet wel bezien worden of het aangaan van de nieuwe schuld van €10.000,00, waardoor het recht op bijstand is blijven bestaan, verwijtbaar is. Is dit het geval dan moet een maatregel worden opgelegd. Hierbij moet onder meer rekening worden gehouden met de situatie die zou zijn ontstaan indien de schuld niet was aangegaan. Bijvoorbeeld: als de schuld van €10.000,00 niet was aangegaan, zou belanghebbende € 3.700,00 hebben moeten interen. Omdat er geen sprake is van feitelijk aanwezig vermogen wordt een maatregel opgelegd. Voorbeeld 4 De belanghebbende als bedoeld in voorbeeld 3 ontvangt in plaats van een prijs van € 5.000,00 een prijs van € 8.000,00. De berekening is nu als volgt. Laatst vastgestelde vermogen €6.700,00 Resterend vtlv €1.300,00 Prijs €8.000,00 Resterend vtlv €0,00 Waardevermindering auto €2.500,00 Nieuwe schuld €10.000,00 Nieuw vermogen €2.200,00 Het nieuwe vermogen (€ 2.200,00) is nu positief en hoger dan het resterende vrij te laten vermogen (€ 1.300,00). De belanghebbende zal derhalve het verschil (€ 900,00) moeten interen nadat de bijstand is beëindigd. Ook moet in deze situatie beoordeeld worden of er een maatregel moet worden opgelegd in verband met het aangaan van de nieuwe schuld van € 10.000,00. Als deze schuld niet was aangegaan, zou belanghebbende € 6.700,00 hebben moeten interen. Artikel II De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012, De secretaris, De Voorzitter, (mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak) Bekend gemaakt op: 8 november 2012

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel