2.1 Activering Algemeen
Het BBV schrijft voor dat bij gemeenten een stelsel van baten en lasten wordt gehanteerd. Op de exploitatie van een bepaald boekjaar mogen dus slechts uitgaven drukken die op dat jaar betrekking hebben.
Daarom moeten uitgaven voor zaken met meerjarig nut in beginsel worden geactiveerd en op de balans tot uitdrukking worden gebracht. Bij activering gaat het om de vraag of uitgaven meerjarig nut hebben en in welke gevallen dergelijke uitgaven moeten / mogen worden geactiveerd. Tekorten mogen niet geactiveerd worden, omdat ze geen meerjarig nut hebben. Dit is de reden dat ze in een keer ten laste van het eigen vermogen worden gebracht. De grens om activa te activeren ligt voor gemeente Vlaardingen op € 5.000. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor gronden en terreinen, die altijd moeten worden geactiveerd, maar waarop conform het BBV niet mag worden afgeschreven. Ook financiële vaste activa (verstrekte geldleningen) moeten altijd worden geactiveerd. Hierop wordt ook niet afgeschreven, maar hiervan wordt de boekwaarde minder via aflossingen. Op grond van de nota kapitaalgoederen van de Commissie BBV (mei 2007), moet de boekwinst die bij het afstoten van een activum wordt gerealiseerd als een incidentele baat in de rekening worden verwerkt. Deze mag niet met de aanschafprijs van een nieuw activum worden verrekend. In deze richtlijn staat ook dat de componentenbenadering alleen mag worden toegepast bij investeringen met een economisch nut. De gemeente Vlaardingen zal hiervan alleen in uitzonderlijke situaties gebruik maken (grote investeringen met grond en opstal), waarbij per investering bekeken wordt in welke componenten hij zal worden verdeeld. Immateriële vaste activa
In het BBV (artikel 33) wordt bij de vaste activa onderscheid gemaakt in immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa.
Dit onderscheid is van belang bij de beantwoording van de vraag of bepaalde uitgaven al dan niet mogen / moeten worden geactiveerd. In het BBV (artikel 34) worden immateriële vaste activa gedefinieerd als:
a. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum. In de CV95 vielen onder deze categorie ook bijdragen aan activa in eigendom van derden; onder de werking van het BBV (art. 36 lid e) worden dit soort bijdragen voortaan als financiële vaste activa beschouwd. Ad a Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
Op grond van het BBV mogen deze kosten worden geactiveerd. In de toelichting op het BBV wordt echter aanbevolen om deze kosten, zeker als deze relatief van geringe omvang zijn, niet te activeren. Voorgesteld wordt de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen als exploitatielast in de jaarrekening op te nemen. Ad b Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum
Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden op grond van het BBV als immateriële activa aangemerkt. Dit heeft als consequentie dat deze als een afzonderlijk activum moeten worden gewaardeerd en dus geen onderdeel meer uitmaken van de uiteindelijke investering, zoals nu het geval is. Op grond van het BBV (artikel 60) mogen deze kosten alleen worden geactiveerd als aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:
1 Het voornemen bestaat het activum te gebruiken of te verkopen;
2 De technische uitvoerbaarheid om het activum te voltooien vaststaat;
3 Het activum in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
4 De uitgaven die aan het activum zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Als niet aan alle hiervoor genoemde voorwaarden wordt voldaan, mogen de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor plannen niet meer worden geactiveerd. Deze moeten voortaan in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht. Op basis van bovengenoemde voorwaarden zal het vrijwel nooit van toepassing zijn om onderzoekskosten ten activeren. Ontwikkelingskosten daarentegen wel, omdat hierbij de technische uitvoerbaarheid beter vast te stellen is. Materiële vaste activa
Voor het al dan niet mogen / moeten activeren wordt in het BBV (artikel 35, lid 1) bij de materiële vaste activa onderscheid gemaakt in:
a. Investeringen met een economisch nut;
b. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Ad a. Investeringen met een economisch nut
Op grond van artikel 59, lid 2 van het BBV betreft dit investeringen in zaken die verhandelbaar zijn en / of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. In de nota van toelichting op het BBV wordt daarover opgemerkt dat een deel van gemeentelijke investeringen een economische waarde heeft omdat:
• gemeenten prijzen en tarieven voor diensten kunnen vragen (bijvoorbeeld voor de markt en de riolering) waardoor deze investeringen (tenminste gedeeltelijk) rendabel kunnen zijn;
• ze verkocht kunnen worden (bijvoorbeeld een woning, gebouw, auto of computer). Aandachtspunt hierbij is dat het gaat om de mogelijkheid om inkomsten te genereren, niet om het werkelijk genereren van inkomsten. Op grond van artikel 59, lid 1 van het BBV moeten alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd.
In artikel 59, lid 3 van het BBV is op het verplicht activeren van investeringen met een economisch nut een uitzondering gemaakt voor kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde; die mogen namelijk niet worden geactiveerd. Op grond van de nota software van de Commissie BBV (mei 2007) wordt software ook als materiële vaste activa beschouwd. Hetzelfde geldt voor licenties van onbepaalde duur.
Kosten voor licenties, leveranciersondersteuning en opleidingen die voor een aantal jaren ineens worden gefactureerd, dienen te worden geactiveerd onder de transitorische post ‘vooruitbetaalde kosten’. Hierop wordt niet afgeschreven. Investeringen met een economisch nut zijn (conform artikel 52 BBV):
a. gronden en terreinen;
b. woonruimten;
c. bedrijfsgebouwen;
d. grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e. vervoermiddelen;
f. machines, apparaten en installaties;
g. overige materiële vaste activa. Ad b. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Onder activa met een (meerjarig) maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het BBV, worden verstaan investeringen in aanleg en onderhoud van: (inrichting) wegen, waterwegen, civiele kunsten, groen en kunstwerken.
Aankoop en vervaardiging met activa met een (meerjarig) maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves ten laste van de exploitatie gebracht. Hiervan kan bij raadsbesluit worden afgeweken. In geval van activering bij raadsbesluit wordt het activum lineair afgeschreven over de verwachte levensduur van het activum of een kortere, door de raad aan te geven tijdsduur. Op grond van artikel 59, lid 4 van het BBV mogen investeringen met een maatschappelijk nut worden geactiveerd, maar om een beter inzicht in de stand van de reserves te krijgen en houden, worden investeringen met een maatschappelijk nut niet geactiveerd. In bijzondere gevallen kan de gemeenteraad hiervan afwijken. Voorbeelden van investeringen met een maatschappelijk nut:
- Omvangrijke wegreconstructies i.h.k.v. een wijkverbetering of verkeersdoorstroming
- Investeringen voor zover niet opgenomen in grondexploitaties:
•Eerste aanleg van wegen (wegdek, bermen, talud en wegmeubilair)
•Aanleg of vervanging van bruggen, viaducten en overige civieltechnische kunstwerken
•Waterbouwkundige werkzaamheden
•Aanleg of vervanging van verkeerslichtinstallaties en openbare verlichting.
•Aanleg of reconstructie van groenvoorzieningen Financiële vaste activa
Het BBV (artikel 36) verstaat hieronder:
1 Kapitaalverstrekkingen aan:
a. deelnemingen;
b. gemeenschappelijke regelingen;
c. overige verbonden partijen;
2 Leningen aan:
a. woningbouwcorporaties;
b. deelnemingen;
c. overige verbonden partijen;
3 Overige langlopende geldleningen;
4 Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
5 Bijdragen aan activa in eigendom van derden. Ad 1 t/m 4
Deze financiële activa moeten, gezien de aard daarvan, altijd worden geactiveerd.
Onder de overige uitzettingen, genoemd onder 4, worden de uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer opgenomen, voor zover niet genoemd onder 2 a, b of c. Ad 5
Bijdragen aan activa in eigendom van derden zijn ten opzichte van de CV95 toegevoegd als financiële vaste activa. Een voorbeeld van de onder dit punt genoemde activa is een bijdrage ineens van de gemeente in de kosten van een clubgebouw.
Op grond van het BBV (artikel 61) mogen dergelijke uitgaven voortaan alleen worden geactiveerd als aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:
1 Er is sprake van een investering door een derde;
2 De investering draagt bij aan de publieke taak;
3 De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen;
4 De bijdrage kan worden teruggevorderd als de derde in gebreke blijft of de gemeente kan anders recht doen gelden op activa die samenhangen met de investering. Aan alle voorwaarden genoemd in artikel 61 dient te worden voldaan. Belangrijk is vooral de bepaling in artikel 61, onder d, waarin is opgenomen dat de bijdrage teruggevorderd moet kunnen worden indien de derde in gebreke blijft. Indien de bijdrage hier niet aan voldoet mag de bijdrage voortaan niet langer als investering worden geactiveerd, maar dient volledig ten laste van het resultaat te worden gebracht.
Belangrijk is dat bij nieuwe aanvragen voor “bijdragen aan activa in eigendom van derden” wordt getoetst of die aan de nieuwe voorwaarden van artikel 61 voldoen. Activeren versus (groot) onderhoud
Bij de beantwoording van de vraag of bepaalde kosten wel of niet dienen te worden geactiveerd, is het van belang om duidelijkheid te scheppen over wat onder (groot) onderhoud wordt verstaan. Bij onderhoud kan de volgende driedeling worden gehanteerd: a Klein onderhoud
Klein onderhoud keert jaarlijks terug. Dit wordt uit de jaarlijkse budgetten bekostigd en activering van deze kosten behoort niet tot de mogelijkheden.
b Groot onderhoud
Bij groot onderhoud gaat het om zaken die één keer in de zoveel jaar moeten gebeuren. Dit soort lasten mogen van het BBV niet worden geactiveerd. Hiervoor kan onder bepaalde voorwaarden een voorziening worden gevormd.
c Vervangingen en reconstructies
Voor reconstructies en vervangingsinvesteringen kan een investeringskrediet worden aangevraagd en gelden dezelfde voorwaarden als materiële vaste activa. 2.2 Waardering Immateriële en materiële vaste activa
Voor de waardering van immateriële en materiële vaste activa gelden eenduidige regels.
In het BBV (artikel 63, lid 1) is bepaald dat activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingprijs of de vervaardigingprijs onder aftrek van de gepleegde afschrijvingen. De definities van de verkrijging- en vervaardigingprijs zijn volgens het BBV:
• De verkrijgingprijs bestaat uit de inkoopprijs (exclusief compensabele BTW) en de bijkomende kosten.
• De vervaardigingprijs bestaat uit de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van dat activum wordt gewerkt. Op basis van het BBV is het dus toegestaan om, behalve de directe kosten zoals leveringen door derden en de kostprijs van bijvoorbeeld in te brengen eigen grond, ook personeels-, overhead- en rentelasten in de vervaardigingprijs op te nemen. De gemeente Vlaardingen volgt deze lijn en bij de kredietaanvraag wordt rekening gehouden met de uren die eigen mensen aan plan- en kredietkosten besteden. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde (artikel 63, lid 4) Financiële vaste activa
Artikel 36 geeft een omschrijving van de componenten waarin de financiële vaste activa worden onderscheiden. Onderscheid wordt gemaakt in kapitaalverstrekkingen, leningen,
uitzettingen en bijdragen aan activa in eigendom van derden. Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en leningen u/g worden opgenomen tegen nominale waarde.
Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s (“kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen” in de zin van het BBV) moeten worden gewaardeerd tegen de verkrijgingprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen onverhoopt structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingprijs, dient afwaardering plaats te vinden. Voor de bijdragen aan activa in eigendom aan derden geldt dat deze tegen de historische kostprijs worden gewaardeerd, mits ze voldoen aan de vier verplicht gestelde voorwaarden.