3.1 Algemeen Afschrijving is het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een goed, dat als een investering is geactiveerd. De afschrijving op de investering komt ten laste van de jaarlijkse exploitatie. Op deze manier wordt ook het meerjarige nut van de investering zichtbaar gemaakt. Of mag worden afgeschreven en wat de hoogte van de jaarlijkse afschrijving is, wordt bepaald door de volgende factoren:
- Wettelijke voorschriften
- De afschrijvingsbasis
- De verwachte restwaarde
- De afschrijvingsmethode
- De afschrijvingstermijn Op activa ‘in bewerking’ (onderhanden werken) mag niet worden afgeschreven, tenzij het activum reeds in gebruik is genomen. 3.2 Wettelijke voorschriften Op grond van artikel 64 van het BBV moeten bij afschrijvingen de volgende algemene regels in acht worden genomen:
1 de afschrijvingen geschieden in beginsel onafhankelijk van het resultaat van de exploitatierekening (lid 1);
2 slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen op andere grondslagen dan in het voorafgaande boekjaar geschieden (lid 2);
3 op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (lid 3).
4 in afwijking hierop is in artikel 64, lid 4 van het BBV bepaald dat op vaste activa met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte wel extra, dus afhankelijk van het resultaat van de exploitatierekening, mag worden afgeschreven. Omdat dit een evenwichtige bestendige financiële gedragslijn verstoort, wordt dit niet toegepast binnen de gemeente Vlaardingen. Verder schrijft het BBV verplicht voor dat:
1 de afschrijvingstermijn van kosten van het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio maximaal gelijk mag zijn aan de looptijd van de nieuw af te sluiten lening (artikel 64, lid 5);
2 de afschrijvingstermijn van kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum ten hoogste vijf jaar mag zijn (artikel 64, lid 6);
3 naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa onafhankelijk van het resultaat van de exploitatierekening worden afgeboekt (zie artikel 65, lid 1);
4 voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs (artikel 65, lid 2);
5 een activum dat buiten gebruik wordt gesteld, op het moment van buiten gebruikstelling wordt afgewaardeerd, dus vervroegd afgeschreven, als de restwaarde lager is dan de boekwaarde (artikel 65, lid 3). 3.3 Afschrijvingsbasis Kostprijs algemeen
Bedrijfseconomisch gezien kunnen investeringen (activa) worden afgeschreven op basis van:
1 De historische kostprijs;
2 De vervangingswaarde;
3 De actuele waarde.
In het BBV (artikel 63, lid 1) is verplicht voorgeschreven dat investeringen worden gewaardeerd op basis van de historische kostprijs, dus de werkelijke verkrijging- of vervaardigingprijs. De consequentie daarvan is dat ook op deze basis moet worden afgeschreven. Bruto-/nettomethode kostprijs
In het BBV (artikel 62, lid 2) staat dat bijdragen van derden in mindering mogen worden gebracht op de investeringen (netto kostprijs.) Dit geldt voor zowel investeringen met economisch als maatschappelijk nut.
In artikel 62 lid 3 staat dat ook reserves in mindering mogen worden gebracht, maar dit geldt alleen voor investeringen met maatschappelijk nut en niet voor investeringen met economisch nut.
In de gemeente Vlaardingen wordt afgeschreven op basis van de netto kostprijs en worden reserves alleen in mindering gebracht op investeringen met maatschappelijk nut. Restwaarde
Bij gemeenten is het niet gebruikelijk om bij het bepalen van de hoogte van de afschrijving rekening te houden met een in te schatten restwaarde van het activum aan het einde van de gebruiksduur. Deze gedragslijn wordt door de gemeente Vlaardingen gevolgd. 3.4 Afschrijvingsmethode In artikel 51 van het BBV is onder meer bepaald dat “In de toelichting op de balans” wordt aangegeven volgens welke methode de afschrijvingen worden berekend.”
Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek. In de praktijk zijn er verschillende afschrijvingsmethoden. De meest voorkomende bij ge¬meenten zijn:
1 Lineaire afschrijving, dat wil zeggen afschrijving op basis van een vast bedrag per jaar. Bij deze methode blijven de afschrijvingslasten gelijk, terwijl de rentelasten en daardoor ook de totale kapitaallasten in de loop van de gebruiksperiode geleidelijk afnemen.
2 Annuïtaire afschrijving, waarbij de jaarlijkse last van rente en aflossing gelijk blijft. Daarbij daalt de rentelast van jaar tot jaar sneller in de loop van de gebruiksperiode, terwijl de afschrijving omgekeerd evenredig toeneemt. Voorgesteld wordt om zoveel mogelijk het huidige afschrijvingsbeleid te volgen. Momenteel worden nagenoeg alle activa lineair afgeschreven. Voorgesteld wordt om deze lijn te continueren tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken. 3.5 Afschrijvingstermijn Algemeen
De te hanteren afschrijvingstermijn voor een bepaald activum is op grond van het BBV (artikel 64, lid 3) afhankelijk van de verwachte toekomstige gebruiksduur.
Die gebruiksduur kan zijn:
1 de technische gebruiksduur
Hierbij draait het om de vraag hoe lang het activum technisch mee gaat (bijvoorbeeld een vrachtauto).
2 de economische gebruiksduur
Hierbij draait het om de vraag wanneer een activum economisch verouderd is (bijvoorbeeld een computer). Afschrijvingstabel
De afschrijvingstermijnen in onderstaande tabel zijn gebaseerd op de kortste van de onder 1 en 2 genoemde gebruiksperioden.
Bij de afschrijvingstermijnen is rekening gehouden met het hiervoor genoemde beleid en zijn de wettelijke en andere voorschriften in acht genomen.