1. Krediet- en garantieverlening uit hoofde van de publieke taak vindt
uitsluitend plaats nadat op zorgvuldige wijze informatie is ingewonnen
over de financiële positie van de krediet- of garantieontvangende
organisatie.
2. Het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie vindt
uitsluitend plaats indien deze uitzettingen een prudent karakter dragen.
Het prudente karakter wordt gewaarborgd door in achtneming van de
richtlijnen in dit statuut.