Naar hoofdinhoud

Artikel 16.

Artikel 16.

Onderdeel van Regeling

1.. De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen middelen worden verschaft door de minister, de Raden van de gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen, door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van een goedgekeurde begroting. Bij de aanvang van het Brabants Historisch Centrum luiden de bijdragen zoals vastgesteld in de bijlage bij de regeling. 2.. De bijdrage van de minister kan jaarlijks worden aangepast in verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen met een percentage, zoals dit in voorkomend geval door de minister in de loop van het begrotingsjaar voor het geheel van zijn bijdrage wordt vastgesteld. De bijdragen van de gemeenten en waterschappen worden jaarlijks aangepast in verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen met een percentage dat voor dit doel is vastgesteld. 3·. Het Brabants Historisch Centrum kan bij de vaststelling van de begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door de minister, de gemeenten en de waterschappen vast te stellen percentage als bedoeld in het tweede lid. 4.. Bij de start van het Brabants Historisch Centrum en voor de uitvoering van deze regeling kunnen door de verschillende partners vermogensbestanddelen worden ingebracht waarover nadere afspraken gemaakt worden. 5.. De minister, de Raden van de gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen kunnen gezamenlijk de te verstrekken bijdragen wijzigen in relatie tot de taken van het Brabants Historisch Centrum. 6.. De huurovereenkomst binnen de staat (Rijksarchiefdienst-Rijksgebouwendienst) zal met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling worden omgezet in een huurovereenkomst tussen de Rijksgebouwendienst en het Brabants Historisch Centrum. Voor zo ver mogelijk worden de voorwaarden uit de aanvankelijke huurovereenkomst gerespecteerd en overgenomen in de vervangende huurovereenkomst. 7.. De bijdrage wordt verleend onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 8.. Indien één van de partners een bijzondere taak opdraagt als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, waarvan de kosten niet zijn op te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen vergoeding betaald.

Verwijzingen