Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 26

Ingangsdatum en tijdsvak

Onderdeel van Verordening wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010

In geval van een lopende inkomensvoorziening wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende inkomensvoorzieningsnorm. Indien het recht op inkomensvoorziening werd opgeschort in verband met nader onderzoek wegens schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in paragraaf 3.3 van deze verordening, kan, bij voortzetting van de inkomensvoorziening, in afwijking van het eerste lid, de verlaging vanaf de datum van opschorting worden opgelegd. Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op de inkomensvoorziening, er geen besluit tot verlaging meer kan worden genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw een inkomensvoorziening wordt toegekend, dit besluit alsnog genomen worden. Als het recht op inkomensvoorziening eindigt, wordt, voor zover het tijdvak waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken, het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak op inkomensvoorziening maakt. Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Rechtspraak bij dit artikel