In geval van een lopende inkomensvoorziening wordt de verlaging
opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend
op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan
de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
voor die maand geldende inkomensvoorzieningsnorm.
Indien het recht op inkomensvoorziening werd opgeschort in verband
met nader onderzoek wegens schending van de inlichtingenplicht zoals
bedoeld in paragraaf 3.3 van deze verordening, kan, bij voortzetting
van de inkomensvoorziening, in afwijking van het eerste lid, de
verlaging vanaf de datum van opschorting worden opgelegd.
Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op de
inkomensvoorziening, er geen besluit tot verlaging meer kan worden
genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen drie jaar na de
beëindiging opnieuw een inkomensvoorziening wordt toegekend, dit
besluit alsnog genomen worden.
Als het recht op inkomensvoorziening eindigt, wordt, voor zover het
tijdvak waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken,
het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de
belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak
op inkomensvoorziening maakt.
Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd.
Een verlaging die voor een periode van meer dan
driemaanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie
maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 26
Ingangsdatum en tijdsvak
Onderdeel van Verordening wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010