Onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, bedragen de
verlagingen genoemd in artikel 30, eerste en tweede lid als
volgt:
vijf procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één
maand bij een gedraging van de eerste categorie;
tien procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één
maand bij een gedraging van de tweede categorie;
Onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, wordt de
verlaging genoemd in artikel 30, derde lid afgestemd op de hoogte
van het benadelingsbedrag gerelateerd aan de
netto-inkomensvoorziening en op de volgende wijze vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de
inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20%
van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40%
van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 6.000,-: 100%
van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 6.000,- tot € 8.000,-: 100%
van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende twee maanden;
bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,-: 100% van de
inkomensvoorzieningsnorm gedurende twee maanden plus één
maand voor elke € 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag
boven € 8.000,- uitstijgt.
De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
maanden na bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging wordt
opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te
merken gedraging.
Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
dringende redenen, bedoeld in artikel 25, derde lid.
Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid,
wederom schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken
gedraging, wordt een verlaging opgelegd, waarbij de hoogte en de
duur nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 21, tweede lid
en artikel 26, zesde lid.
Van het opleggen van de verlaging als bedoeld in het eerste lid
onderdeel a kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing, tenzij voor de betreffende
verwijtbare gedraging binnen een periode van twee jaar eerder een
schriftelijke waarschuwing is gegeven.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.3
Artikel 31
De hoogte en de duur van de verlaging
Onderdeel van Verordening wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010