**1..** Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of ver minderen van een toelage als bedoeld in artikel 16 een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen bedoeld in artikel 12;
en
de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 16, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikel 16, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien:
de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 16 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**3..** De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 16 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
**4..** Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
**5..** De in de voorafgaande leden van dit artikel bedoelde toelagen worden berekend overeenkomstig de in de beschikking van de minister van binnenlandse zaken d.d. 5 december 1979 nr. AB 79/U 2255 vastgelegde nadere regels ten aanzien van de overgangstoelage onregelmatige dienst.
**6..** In bijzondere gevallen kan door burgemeester en wethouders een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.