Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Vergunningplicht woonschepen

Onderdeel van Verordening openbaar vaarwater 2006

1.. Het is verboden met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een een woonschip beschikbaar te stellen buiten de door burgemeester en wethouder daartoe aan te wijzen kanaalvakken. 2.. Binnen de krachtens het eerste lid aangewezen kanaalvakken is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben. 3.. Uiterlijk binnen twaalf weken na het onherroepelijk worden van de vergunning dient met het betreffende woonschip ligplaats te zijn ingenomen op de daartoe bestemde ligplaats. 4.. In geval van nieuwbouw van een woonschip dient binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning ligplaats te worden ingenomen. Deze termijn kan met ten hoogste een half jaar worden verlengd. 5.. In geval van het vergroten of substantieel wijzigen van een woonschip waarvoor een ligplaatsvergunning is afgegeven, is een nieuwe vergunning als bedoeld in het tweede lid vereist. 6.. Het is verboden een ligplaats, waarvoor een vergunning is verleend, voor een aaneengesloten periode van meer dan drie maanden per twaalf maanden te verlaten. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van dit verbod verlenen. 7.. Bij een woonschip waarvoor een vergunning als bedoeld in het tweede lid is verleend, is uitsluitend één bij het schip behorende bijboot òf opduwer, niet zijnde een recreatieschip, tot een maximum van 10 m² toegestaan, tenzij naar het oordeel van burgemeester en wethouders daartegen bezwaren bestaan die verband houden met de belangen die de verordening beoogt te beschermen. 8.. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het zevende lid voor het toestaan van een authentieke opduwer tot een maximum van 15 m².

Rechtspraak bij dit artikel