Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de commissie toegekend.
In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.
De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.
Indien de bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op grond van de Wet werk en bijstand kan het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt dat deze zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Mogelijk zijn er meer onderwerpen te noemen waarbij zittingen nooit openbaar zijn, zoals bijv. urgentieverklaringen op grond van de huisvestingsverordening, bepaalde aanvragen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en bijvoorbeeld de prostitutiebepaling uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Hiermee worden problemen voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare zitting.
De bepaling kan toegevoegd worden aan artikel 14 en als volgt luiden:
De zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats voor wat betreft bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.
Hoofdstuk
Artikel 14.
Openbaarheid zitting
Onderdeel van Verordening commissie bezwaarschriften 2014