**1..** De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende drie maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de periode waarin een uitkering werd ontvangen.
**2..** Na afloop van de termijn van drie maanden wordt bij de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**3..** Indien de terugvordering ziet op een fraudevordering wordt het in het tweede lid genoemde percentage verhoogd tot 50%.
**4..** Indien tijdens het nemen van een terugvorderingbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**5..** Indien de terugvordering ziet op een fraudevordering wordt het in het vierde lid genoemde percentage verhoogd tot 50%.
**6..** In afwijking van het tweede en vierde lid wordt, indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit of op enig moment nadien een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de WWB, de IOAW of IOAZ, maar waarbij dat inkomen inclusief vakantiegeld niet meer dan € 100,00 per maand meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag, de aflossingsverplichting gesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**7..** In afwijking van het tweede tot en met zesde lid wordt met een redelijk betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een redelijke periode in zijn geheel zal kunnen worden afgelost.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 14.
Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ gemeente Ede 2014