**1..** Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**2..** In afwijking van het gestelde in het eerste lid, kan indien de vordering niet is ontstaan door verwijtbaar gedrag van de debiteur ambtshalve een lager bedrag worden vastgesteld, of wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd, voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.
**3..** In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge het tweede lid worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 13.
Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren met een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ gemeente Ede 2014