**1..** Een vergunning kan worden ingetrokken indien:
de belangen onder artikel 11 genoemd daartoe aanleiding geven;
de vergunninghouder handelt in strijd met het bij of krachtens deze verordening bepaalde of andere wettelijke bepalingen;
wanneer bij herhaling is geconstateerd door een ambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, dat standplaats wordt ingenomen of wordt gevent in afwijking van de door burgemeester en wethouders verleende vergunning;
van de standplaats gebruik wordt gemaakt op een wijze die strijdig is met het doel waarvoor zij is bestemd;
de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag;
de uitvoering van werken en andere redenen van algemeen belang dit vorderen;
**2..** Een vergunning wordt voorts ingetrokken:
op eigen verzoek van de standplaatshouder casu quo de venter;
bij overlijden van de standplaatshouder casu quo de venter, tenzij binnen twee maanden door de rechtverkrijgende onder algemene titel is aangegeven dat de standplaats casu quo de ventvergunning op diens naam dient te worden overgeschreven en mits, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan alle overige bepalingen ingevolge de Vestigingswetgeving en het bepaalde in deze verordening;
indien, sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, gedurende een periode van één maand waarvoor de vergunning van toepassing was, anders dan wegens overmacht, geen of nagenoeg geen daadwerkelijk gebruik van de vergunning is gemaakt;
indien de standplaats niet opnieuw als zodanig is aangewezen, overeenkomstig artikel 2, of deze aanwijzing ongedaan wordt gemaakt;
indien de rechthebbende niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor het gebruik van zijn vergunning voldoet;
indien, voorzover van toepassing, de toegewezen standplaats niet door de standplaatshouder wordt aanvaard op grond van een door burgemeester en wethouders niet geldig geachte reden.
Artikel 13
Intrekking
Onderdeel van Verordening standplaats- en ventvergunningen De Ronde Venen 2000