De burgemeester heeft de bevoegdheid om, indien en voor zover dat in het
belang van de handhaving van de openbare orde en de in artikel 2 van deze
verordening genoemde voorwaarden, noodzakelijk is, te besluiten tot
plaatsing van camera’s voor een periode van maximaal drie jaren ten behoeve
van toezicht op een openbare plaats (Art. 2 Wom). Het cameratoezicht kan
vervolgens telkens met de periode van maximaal drie jaren worden
verlengd.