1.Cameratoezicht mag slechts worden toegepast als aan alle, in lid 2 van dit
artikel genoemde voorwaarden, is voldaan.
2.
De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar het
toezicht zal plaatsvinden;
cameratoezicht mag slechts worden toegepast op openbare plaatsen die
voldoen aan de in artikel 3 lid 2 genoemde gronden;
de doelstellingen als genoemd in artikel 4 dienen ten grondslag te
liggen aan de toepassing van het cameratoezicht;
de burgemeester stelt, na overleg met de Officier van Justitie in
het overleg, en bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 2012, de
periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare
orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de
camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden
bekeken;
de burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste
artikel bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande
politie;
de aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid van dit
artikel is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de
desbetreffende openbare plaats betreedt;
met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare
plaats;
de met de camera’s gemaakt beelden mogen in het belang van de
handhaving van de openbare orde worden vastgelegd en gedurende ten
hoogste vier weken worden bewaard;
de burgemeester informeert terstond na het nemen van het besluit als
bedoeld in lid 2 sub a van dit artikel, de raad over de inhoud van
het besluit alsmede de redenen welke tot dat besluit hebben
geleid.
Artikel 2
Voorwaarden toepassing cameratoezicht
Onderdeel van Verordening cameratoezicht gemeente Rucphen