Lid 1:
De bedragen voor een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming voor een voorziening, worden bepaald als tegenwaarde van de voorziening die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. Was dat niet een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd. Hiervoor wordt de methodiek gehanteerd zoals beschreven in bijlage 1. Het college kan bij het bepalen van de hoogte van het bedrag zich baseren op gemaakte prijsafspraken met onder contract staande leveranciers.
Lid 2:
Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Een persoonsgebonden budget wordt behoudens huishoudelijke hulp in eigendom verstrekt. Uitbetaling geschiedt na controle van de factuur en betalingsbewijs. Indien de hoogte van het bedrag op het betalingsbewijs lager uitvalt dan het toegekende persoonsgebonden budget, dan wordt dit lagere bedrag uitbetaald.
Lid 3:
De duur van het persoonsgebonden budget / financiële tegemoetkoming is gekoppeld aan de gemiddelde levensduur van de voorziening per categorie. Een overzicht hiervan is beschreven in
bijlage 1.
Lid 4:
De kosten voor het eventuele onderhoud en verzekering worden bepaald op grond van de kosten die anders in natura zouden zijn gemaakt.
Lid 5:
Verstrekking van een budget als bedoeld in het eerste en zesde lid vindt niet plaats indien:
de voorziening een vervoerspas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer betreft;
er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de aanvrager zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget en (professionele) hulp niet beschikbaar is;
er sprake is van de verstrekking van een voorziening voor Huishoudelijke hulp bij een hulpvraag die naar verwachting niet langer zal duren dan drie maanden;
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager een eerder ontvangen persoonsgebonden budget niet in overeenstemming met het doel en/of bestemming heeft ingezet;
Lid 6:
Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijkeverzorging, moet de budgethouder rekening houden met controle door het college naar debesteding van het persoonsgebonden budget en moet de budgethouder hiervoor van belangzijnde stukken beschikbaar houden.
Lid 7:
Het persoonsgebonden budget voor een eenmalige voorziening wordt door debudgethouder na aanschaf van of besteding aan de voorziening aan het college verantwoord.
Lid 8:
Voor zover het een persoonsgebonden budget voor een periodieke voorziening betreft, controleert het college steekproefsgewijs. Tenminste 10% van de PGB-uitgaven wordtjaarlijks gecontroleerd.
Lid 9:
Na de in het vierde en vijfde lid genoemde controle wordt door het college
beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.
Lid 10:
Bij verstrekking van het persoonsgebonden budget is de budgethouder verplicht in iedergeval de volgende stukken op verzoek te verstrekken:
Bij Huishoudelijke hulp:
een gesloten zorgovereenkomst tussen budgethouder en zorgverlener;
betalingsbewijzen van de verrichte betalingen;
of (indien wettelijk noodzakelijk) een overzicht van de salarisadministratie met bewijsstukken.
Bij overige individuele voorzieningen
de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;
een betalingsbewijs van de aanschaf van de voorziening.
Lid 11:
De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor het aanschaffen ofverwijderen van een woonvoorziening wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoalsvermeld in de door het college geaccepteerde offerte.
Lid 12:
Als de particuliere aanvrager tevens de woningeigenaar is, dan kan de aanvrager worden verplichttwee offertes in te dienen.
Lid 13:
Het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van detegenwaarde van de aanschafprijs van de goedkoopst compenserende voorziening, indien nodigverhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, op te vragen bij de hulpmiddelenleverancier.
Lid 14:
Het verstrekken van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving betreft alleen de periode dat de woonruimte van de aanvrager ten gevolge van het verrichten van een woningaanpassing niet bewoond kan worden en daardoor voor dubbele woonlasten komt te staan. De tegemoetkoming wordt alleen verleend als de aanvrager redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben.
Lid 15:
De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving bedraagt dewerkelijke kosten gedurende maximaal zes maanden waarbij de eerste twee maanden niet inaanmerking komen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het verstrekken van detegemoetkoming is dat de woning voor meer dan €4744,72,- moet zijn aangepast.
Lid 16:
De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatievan woonvoorzieningen bedraagt de werkelijke kosten waarbij de frequentie van onderhoud enkeuring aan leverancier en gemeente wordt voorbehouden.
Lid 17:
Bij verkoop van een woning binnen 5 jaar dient het bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald.
Het afschrijvingsschema luidt als volgt:
voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde;
voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde;
voor het derde jaar 60% van de meerwaarde;
voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde en
voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.
Lid 18:
Indien het recht op het persoonsgebonden budget bij wijziging van de situatie komt te vervallen (bijvoorbeeld overlijden, verhuizen of op eigen verzoek) dient de cliënt of eventuele nabestaande(n) het college hiervan op de hoogte te stellen.
Lid 19:
Indien de situatie zoals beschreven in het voorgaande lid zich wijzigt dient de cliënt of eventuele nabestaande(n) een deel van het budget terug te betalen aan de hand van de afschrijvingsmethodiek zoals beschreven in bijlage 1.
Lid 20:
De cliënt of eventuele nabestaande(n) kan / kunnen ook het college verzoeken de voorziening om niet in natura aan het college terug te geven zonder verrekening van eventuele extra opties of accessoires. Hierbij draagt de cliënt of eventuele nabestaande(n) de voorziening in eigendom over aan het college. Het college behoudt zich het recht om wel of niet in te gaan op een dergelijk verzoek. Het college verricht naar aanleiding van een dergelijk verzoek een inspectie van het hulpmiddel. De inspectie kan ook worden verricht door het college aangewezen derde partij. Het ophalen van de voorziening wordt op kosten van het college uitgevoerd indien het college ingaat op het verzoek tot overname..
Artikel 4:
Systematiek persoonsgebonden budget / financiële tegemoetkoming
Onderdeel van Financieel besluit Wmo Olst-Wijhe