1.. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden.

2.. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.