Er zijn vier kernbegrippen voor een juiste behandeling van een integriteitsschending te benoemen:
verantwoordelijkheid;
strikte vertrouwelijkheid;
feitelijke behandeling;
centrale informatie- en registratiefunctie.
Verantwoordelijkheid
In verband met de doorgaans grote gevoeligheden en afbreukrisico’s rond integriteitsschendingen ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling bij het hoogste ambtelijke niveau van de organisatie (bevoegd gezag). Voor ambtenaren is dit de gemeentesecretaris. Heeft de melding betrekking op het hoogste ambtelijke niveau, dan ligt de verantwoordelijkheid op politiek niveau (burgemeester). Dit is ook het geval bij meldingen over politieke ambtsdragers.
Vertrouwelijkheid
Om ongewenste beschadiging te voorkomen, moet de melding van meet af aan een strikt vertrouwelijke status krijgen. Hieronder wordt verstaan dat alleen het bevoegd gezag en de met de directe behandeling belaste functionarissen over de informatie beschikken, met uitsluiting van anderen. Dus geen openlijke verspreiding, niet registreren in een geautomatiseerd systeem dat valt te raadplegen door anderen, stukken niet open op het bureau laten liggen etc.
Feitelijke behandeling
Behandeling van meldingen over mogelijke integriteitsschendingen vragen doorgaans specifieke, vakmatige deskundigheid. Daarom is het logisch de feitelijke behandeling in handen te leggen van specifiek voor deze taak aangewezen ambtenaren. In Heerenveen zijn dit de integriteitsambtenaar tevens beleidsadviseur P&O, de beleidsadviseur BJZ en een kwaliteitsadviseur van K&A. Bij melding van een schending door een raadslid of door de burgemeester wordt ook de griffier ingeschakeld.
Centrale informatie- en registratiefunctie
Zie hoofdstuk 4: Registratie