Met de medewerkers wiens functie een C-status heeft worden perspectiefgesprekken gevoerd over hun belangstelling voor een bepaalde functie.
Het doel van het perspectiefgesprek is te toetsen of de medewerker geschikt, minder geschikt of niet geschikt is om de functie(s) van zijn/haar voorkeur(en) uit te oefenen. (19)
Het perspectiefgesprek wordt gevoerd door de direct leidinggevende en/of de leidinggevende van het echelon daarboven in aanwezigheid van een adviseur P&O.
De adviseur P&O maakt van het perspectiefgesprek een verslag. (20)
Medewerkers die minder geschikt of niet geschikt geacht worden te zijn voor een functie worden hierover zo spoedig mogelijk mondeling geïnformeerd, waarbij het verslag van het gesprek wordt overhandigd.
Het verslag wordt zo spoedig mogelijk aan de betrokken medewerker toegezonden, waarna deze de mogelijkheid heeft schriftelijk op- of aanmerkingen aan te leveren.
De eventueel ingediende op- of aanmerkingen worden aan het verslag gehecht, maar leiden niet tot aanpassing van het verslag.
(19)Het perspectiefgesprek wordt gevoerd volgens de STAR-methodiek, zoals deze is beschreven in het beleidsdeel van Werving en Selectie (zie hoofdstuk II van het Handboek P&O).
(20)Het format voor het verslag van het perspectiefgesprek is opgenomen als bijlage 6.