Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 3

Artikel 4.10

Kapverbod

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2014

1.. Het is de eigenaar van een houtopstand toegestaan deze houtopstand te vellen of te doen vellen, mits deze voldoet aan één van de volgende vereisten: a.. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; b.. fruitbomen voor zover deze uit economische overwegingen gehouden worden en windschermen om boomgaarden; c.. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d.. kweekgoed; e.. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; f.. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, indien hiervoor een vergunning in het kader van de Boswet is verleend. g.. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in lid 7.; h.. houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend bestemmingsplan of bij een geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning) en deze vergunning is verleend; i.. houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de Natuurbeschermingswet en een vergunning in het kader van die wet is verleend; j.. houtopstand, waarvan de gemeente de eigenares of rechthebbende is, wanneer het vellen daarvan gebeurt ter vervanging van verloren gegane beplanting op openbaar terrein; k.. Houtopstand gelegen op een particulier perceel, met een diameter van de stam van minder dan 20 centimeter op 1,30 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. De dwarsdoorsnede kan kleiner zijn dan hiervoor genoemd indien er sprake is van houtopstand in het kader van een herplantplicht zoals bedoeld in lid 5; l.. houtopstand gelegen op een particulier perceel, indien de totale perceelsoppervlakte hiervan niet meer bedraagt dan 250 m2, tenzij sprake is van een boom met een diameter van meer dan 50 cm of een boom waarvan geen overlast wordt ondervonden en die, zulks ter beoordeling van het college, een extra bijdrage levert aan de leefomgeving. 2.. Voor het overige is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. Dit geldt eveneens voor het voor de eerste keer knotten kandelaren van bomen en voor een houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen, gelegen is buiten een bebouwde kom en een zelfstandige eenheid vormt die: ·. geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ·. bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; 3.. De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; de ecologische waarde van de houtopstand; de boomwaarde van de houtopstand. 4.. Het bevoegd gezag kan voorschriften aan de vergunning verbinden. 5.. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 6.. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. 7.. De vergunning vervalt indien daarvan niet binnen een termijn van maximaal 1 jaar na afgifte gebruik is gemaakt. 8.. Het college kan de rechthebbende van iepen aanschrijven, indien het college van oordeel is dat deze iepen een gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers. Het college kan aan de rechthebbende voorschriften opleggen ten einde dit gevaar te verminderen of uit te sluiten.

Rechtspraak bij dit artikel