1.In het geval een raadslid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na

toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het

uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding

voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de

gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

2.In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en

onderzoekspersoneel ontvangt en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit

ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap

meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid

ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van

bedoelde korting.