Het college vordert de uitkering terug van de belanghebbende voor zover deze:

  • - ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
  • - in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
  • - voortvloeit uit gestelde borgtocht;
  • - ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
  • - anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen of;
  • - anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
  • - de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover uitkering is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB, artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ beschikt of kan beschikken;
  • - een uitkering is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
  • - terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.