Naar hoofdinhoud

Artikel Andere partijen binnen het archeologisch bestel

Artikel Andere partijen binnen het archeologisch bestel

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

5.1 De 'bodemverstoorder' Op basis van de Wamz en het bestemmingsplan kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning (‘de veroorzaker’) verlangen dat (nader) archeologisch (voor)onderzoek wordt verricht. Voorwaarde daarvoor is dat die onderzoeksplicht ook daadwerkelijk is vastgelegd in het bestemmingsplan, of berust op de aanwijzing als gemeentelijk of rijksmonument. Een vergelijkbare onderzoekseis kan worden gesteld indien een ontheffing of wijziging van een vigerend bestemmingsplan wordt gevraagd. Van initiatiefnemers tot dat soort ruimtelijke plannen wordt in zulke gevallen verlangd dat zij in een vroegtijdig stadium aangeven hoe bij geplande bodemverstorende ingrepen met eventuele archeologische waarden wordt omgegaan. Omgekeerd mag de bodemverstoorder van de gemeente verwachten dat duidelijk wordt aangegeven waarom in bepaalde gebieden archeologisch vooronderzoek verplicht wordt gesteld, en in andere niet. Dat wil zeggen dat de gemeente een informatieplicht heeft: in ieder geval door de toelichting bij het bestemmingsplan, maar bij voorkeur aangevuld en onderbouwd door een transparant gemeentelijk archeologiebeleid, waarin de selectie van archeologische terreinen helder is verwoord. Beslissingen van de gemeente die daaruit voortvloeien staan volgens de gebruikelijke procedures (Awb) open voor beroep en bezwaar. De kern van het geliberaliseerde archeologiebestel in Nederland is dat het de initiatiefnemer van ruimtelijke ingrepen vrijstaat om voor de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek zelf een keuze maken uit (erkende) aanbieders op de archeologische markt. De veroorzaker is verantwoordelijk voor de kosten van archeologisch vooronderzoek en – alleen als behouden niet mogelijk is – van een opgraving. Dit is het zgn. “veroorzakerprincipe” ofwel “de verstoorder betaalt”, een uitvloeisel van het Verdrag van Malta. De gemeente geeft via (standaard) richtlijnen, meestal is dit een Programma van Eisen (PvE), aan hoe dat onderzoek dient te worden verricht. Het staat veroorzakers vervolgens vrij de kosten die de archeologische monumentenzorg (van vooronderzoek tot opgraving) met zich meebrengt, door te berekenen naar derden. Private ontwikkelaars kunnen de kosten voor archeologie doorberekenen in (bijvoorbeeld) de huizenprijs. Gemeentebesturen kunnen, indien zij zelf ontwikkelaar zijn, de kosten van archeologisch vooronderzoek in de grondprijs doorberekenen of verrekenen in de exploitatieovereenkomst. 5.2 Uitvoerders van archeologische werkzaamheden Om het voor initiatiefnemers van bodemingrepen mogelijk te maken om zelf een archeologische uitvoerder te kiezen, heeft de rijksoverheid het archeologische bestel de laatste jaren ingrijpend gereorganiseerd. De opgravingsbevoegdheid, die voorheen voorbehouden was aan universiteiten en overheden is sinds 2001 verruimd en mogen ook gekwalificeerde bedrijven archeologische werkzaamheden uitvoeren. Om de kwaliteit van de archeologische dienstverlening in dit geliberaliseerde bestel te waarborgen heeft de rijksoverheid een systeem van kwaliteitszorg opgezet. Daarin zijn regels vastgelegd voor de uitvoering van onderzoek en verschillende vormen van toezicht geformuleerd. Veldonderzoek (opgravingen, maar ook booronderzoek) mag alleen worden verricht door bedrijven of instanties met een opgravingsbevoegdheid. Zij dienen zich in ieder geval te houden aan de regels die zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Toezicht op de naleving daarvan is in handen van de Erfgoedinspectie, onderdeel van het Ministerie van OCenW. Bedrijven die archeologische diensten en werkzaamheden uitvoeren kunnen grofweg (maar niet strikt) ingedeeld worden in drie groepen: Adviseurs en adviesbureaus, vooral actief op het gebied van vooronderzoek en de voorbereiding en begeleiding van archeologische (onderzoeks)projecten. Het merendeel voert zelf geen archeologische opgravingen uit; Opgravingsbedrijven, die zich hebben gespecialiseerd in het uitvoeren van archeologisch veldwerk; Technische en specialistische dienstverleners, vooral op het gebied van laboratoriumanalyses, materiaalonderzoek, conservering, restauratie en presentatie. 5.3 Universiteiten Tot voor kort speelden ook de universitaire vakgroepen voor archeologie een belangrijke rol bij het uitvoeren van (nood-) opgravingen in Nederland. Met de komst van de archeologische bedrijven is deze rol vrijwel komen te vervallen. De financieringsmogelijkheden voor zuiver wetenschappelijk geëntameerde opgravingen zijn in Nederland bijna nihil sinds de introductie van de Malta-archeologie. Wel hebben de meeste universitaire instituten inmiddels hun eigen archeologisch bedrijf opgericht dat op commerciële basis archeologische werkzaamheden verricht, en zich aan dezelfde spelregels dient te houden als de “gewone” archeologiebedrijven. 5.4 Amateurs en vrijwilligers Vanouds spelen amateurarcheologen een belangrijke rol in het Nederlandse archeologische bestel: op lokaal niveau waren zij de ‘ogen en oren’ van de professionele archeologie. In het verleden voerden groepen amateur-archeologen soms ook zelfstandig opgravingen uit onder supervisie van de provinciaal archeoloog. Vaak wordt gedacht dat de inzet van vrijwilligers bij de uitvoering van archeologisch onderzoek niet meer mogelijk is als gevolg van de professionalisering en de komst van het nieuwe kwaliteitssysteem. Dit is onjuist. In het Programma van Eisen voor de uitvoering van archeologisch onderzoek kan de gemeente de voorwaarde opnemen dat de uitvoerder lokale amateurs betrekt bij de uitvoering van het onderzoek. Alleen op locaties waarvoor door de professionele archeologie een negatief selectieadvies is afgegeven (=geen nader onderzoek nodig) kunnen amateurs en andere vrijwilligers zelfstandig archeologische waarnemingen doen.

Rechtspraak bij dit artikel