Naar hoofdinhoud

Artikel Financiën

Artikel Financiën

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

Het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid schrijft voor dat de kosten van archeologisch vooronderzoek en opgraving primair bij de veroorzaker van de bodemverstoring (het veroorzakerprincipe) komen te liggen. Vooronderzoek (bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek/IVO, boringen en proefsleuven) dient dan ook een regulier onderdeel van de planvoorbereiding te zijn en van meet af aan te worden meegenomen in de begroting van het ruimtelijke project dat het archeologisch onderzoek noodzakelijk maakt. Dit geldt zowel voor initiatieven van de gemeente zelf als voor die van derden. Het is echter niet zo dat via het veroorzakerprincipe de gemeente geen enkel financieel risico loopt. Naast de projectkosten bestaan namelijk ook niet-begrootbare kosten, zoals planschadekosten en excessieve kosten. Middels de voorgestelde beleidskaart en het daaraan gekoppelde selectiebeleid wordt het vinden van toevalsvondsten en het risico op planschade zoveel als mogelijk voorkomen en de kosten voor de burgers geminimaliseerd. Conform de wettelijke mogelijkheden wordt voorgesteld de volgende dekking van de archeologische kosten aan te wenden: De initiatiefnemer betaalt conform de Wet van Malta en de nieuwe wet op de Archeologische Monumentenzorg. De bestuurslasten zoveel mogelijk te dekken uit de archeologiegelden die ontvangen worden van het Gemeentefonds en verkregen worden vanuit het Rijk. Doorbelasting via (de opbrengsten uit) de grondexploitatie (inclusief bijdragen van marktpartijen). Dekking via de gemeentelijke projecten. Hieronder wordt de belangrijkste risico’s en mogelijke kostenposten voor de gemeente benoemd. Daarnaast worden de uitgangspunten benoemd om deze kosten zo goed mogelijk te beheersen. 15.1 Risicobeheersing door goede voorbereiding Archeologie kan een financieel risico vormen in iedere exploitatie. Dat begint al bij de locatiekeuze: locaties zonder archeologische waarde of verwachting verdienen vanzelfsprekend de voorkeur vanuit het motto behoud-in-situ. Als dat niet mogelijk is, of wanneer de maatschappelijke afweging anders uitvalt, dan moet rekening worden gehouden met de kosten van archeologisch onderzoek. De aard en omvang van de vindplaats(en) is daarvoor bepalend, evenals de bereikbaarheid en de vereiste onderzoeksmethode. Vooral uitvoerend onderzoek op dorpskern-, beekdal-, en steentijdvindplaatsen is arbeidsintensief en dus duur. Om duidelijkheid te verkrijgen over (mogelijke) kosten voor archeologisch onderzoek dient daarom al in de vroegste fase van planvoorbereiding (de initiatieffase) een eerste inschatting gemaakt te worden van de te verwachten archeologische waarden en bijbehorende kosten. 15.2Archeologie en de exploitatieovereenkomst De gemeente sluit in het kader van de gebiedsontwikkeling regelmatig exploitatieovereenkomsten af met particuliere projectontwikkelaars en grondexploitanten. Zo’n overeenkomst is gebaseerd op de gemeentelijke exploitatieverordening. Het is belangrijk dat de overeenkomst (en de basis daarvoor in de verordening) helder aangeeft wie de kosten voor het archeologisch onderzoek draagt en de eventuele bijkomende risico’s voor zijn rekening neemt. Het komt in de praktijk nogal eens voor dat de overeenkomst wel afspraken over het archeologische vooronderzoek bevat, maar dat afspraken over hoe om te gaan met de uitkomst van dat onderzoek ontbreken. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van behoudenswaardige archeologische resten, dan kunnen de kosten van inpassing en/of opgraving wel eens veel hoger uitvallen dan die van het vooronderzoek. Uitgangspunt van het gemeentelijk archeologiebeleid is dat van alle archeologische werkzaamheden de kosten gedekt dienen te zijn, waarbij gestreefd wordt naar maximalisatie van behoud van archeologische waarde in combinatie met minimalisatie van kosten. In de grondexploitatiewet (Wro) is archeologie op de lijst van verhaalbare kosten opgenomen. De gemeentelijke exploitatieverordening zal hierop worden aangepast. 15.3 Planschade en excessieve kosten archeologie Het risico op planschade wordt geminimaliseerd door de beperkingen op de archeologische beleidskaart en de bestemmingsplankaarten te begrenzen. Het nadeel hiervan is dat daarmee mogelijk belangrijke archeologische waarden verloren gaan en het risico van toevalsvondsten wordt vergroot. Zou de gemeente geen archeologische waardegebieden aanwijzen, met andere woorden legt de gemeente geen beperkingen van bestemmingsplan of verordening op, dan is elke aangetroffen archeologische waarde per definitie een toevalsvondst. De kosten voor het opgraven van dergelijke toevalsvondsten komen altijd volledig voor rekening van de gemeente. Middels de voorgestelde beleidskaart en het daaraan gekoppelde selectiebeleid wordt het vinden van toevalsvondsten en het risico op planschade zoveel als mogelijk voorkomen en de kosten voor de burgers geminimaliseerd. Bij toepassing van het veroorzakerprincipe kunnen zich situaties voordoen die politiek of maatschappelijk onwenselijk zijn. De belangrijkste daarvan is de situatie waarbij de archeologische waarden op het terrein van een grondeigenaar van zodanige betekenis of omvang is, dat winstgevende exploitatie van die locatie niet (meer) mogelijk is. Dit kan zich voordoen bij: kleinschalige initiatieven, in zowel ruimtelijke als economische zin, waarbij de kosten voor de archeologie zich niet verhouden tot de totale projectkosten, bij grote(re) projecten met een zeer omvangrijke en/of complexe archeologische component, die om andere maatschappelijke redenen toch doorgang moeten vinden; Wanneer de archeologiekosten redelijkerwijs niet (geheel) ten laste kunnen komen van de veroorzaker wordt gesproken van excessieve kosten. Artikel 34a van de herziene Monumentenwet meldt de regeling (per Amvb) van een rijksbijdrage in excessieve kosten voor die gevallen waarin de kosten voor archeologisch onderzoek redelijkerwijs niet (geheel) ten laste kunnen komen van de desbetreffende gemeente (of provincie). Voorwaarde is dat de archeologische waarden niet op een andere wijze te beschermen zijn dan door een opgraving, en dat de archeologie een vast onderdeel is geweest bij de planvoorbereiding en besluitvorming van het project, inclusief de locatiekeuze, en de archeologische waarden die in het geding zijn van bovenlokale of nationale betekenis zijn. De RACM beoordeelt namens de Minister de aanvragen voor excessieve kosten. Bij de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdrage wordt uitgegaan van een drempelbijdrage van de vergunningverlenende instantie (meestal de gemeente). Dit betekent dat de gemeente zelf een aanzienlijke financiële bijdrage moet leveren (€ 2,50 per inwoner) voordat een (gemeentelijk of particulier) project voor rijkssubsidie in aanmerking komt. De genoemde Amvb is inmiddels in werking getreden. De voorziene regeling zal naar verwachting echter niet langer dan een jaar (2008) in werking zijn. In het bestuursakkoord dat het kabinet Balkenende IV met de VNG heeft gesloten over de decentralisatie van specifieke uitkeringen is namelijk afgesproken dat de excessieve kostenregeling opgaat in het Gemeentefonds. Daartoe is ingaande 2008 1,25 miljoen euro voor excessieve kosten archeologie in het Gemeentefonds gestort, die via de factor ’11 eurocent per woonruimte’ wordt verdeeld. Dit betekent dat elke gemeente via het Gemeentefonds structureel een (kleine) bijdrage ontvangt voor eventuele excessieve opgravingskosten in geval van kosten van opgraving van vindplaatsen van nationaal belang. Het is zaak dat gemeenten dit bedrag veiligstellen door de bestemming daarvan vast te leggen. Bij wijze van overgang kan er in 2008 daarnaast nog een beroep worden gedaan op de oude rijksregeling. Voor dat jaar is daarom eenmalig een bedrag van 2 miljoen euro beschikbaar gesteld. In Nuenen is in de afgelopen jaren nog geen sprake geweest van excessieve kosten. Er lijkt op korte termijn dan ook nog geen behoefte aan een jaarlijks te vullen gemeentelijk noodfonds voor excessieve kosten. Mocht zich in een bepaald gebied dit voordoen, dan zal planaanpassing als instrument om de archeologische waarden te behouden en eventuele zeer hoge archeologische kosten te vermijden, een belangrijk beleidspunt vormen voor de gemeente. Voorgesteld wordt om de noodzaak tot het instellen van een archeologiefonds op te schorten totdat er meer ervaring is opgedaan met excessieve kosten en de noodzaak mee te nemen in de evaluatie van het archeologisch beleidsplan. Mochten excessieve kosten in de tussentijd toch voorkomen, dan dient de initiatiefnemer aantoonbaar te maken dat hij ten tijde van de initiatieffase van planvorming de archeologische vooronderzoeken heeft uitgevoerd. Daarnaast dient de initiatiefnemer aan te tonen dat alle opties tot behoud en dus planaanpassing meer kosten dan het archeologische vooronderzoek en de archeologische opgraving waarbij alle waarden integraal worden verwijderd en gedocumenteerd (definitief onderzoek). De eventuele excessieve kosten zullen uit de begrotingspost onvoorzien gedekt moeten worden. Mochten dit soort excessieve kosten zich toch vaker voordoen, dan kan besloten worden alsnog een archeologiefonds of subsidieregeling instellen. Dit vereist een reservering binnen de gemeentelijke begroting of er zouden inkomsten tegenover moeten staan. Een reservering kan onder andere worden gecreëerd via de meeropbrengst uit legesheffing op bouwvergunningen en ISV-gelden. 15.4 Bestuurslasten De bestuurslasten zijn onder te verdelen in kosten die gemaakt worden voor het maken, implementeren en bijhouden van de archeologische basis-, verwachtingen- en waardenkaart en beleidskaart, voor de ontwikkeling en implementatie van beleid en voor het adviseren inzake bestemmingsplannen en vergunningen. De uitvoeringskosten komen voort uit het begeleiden van de uitvoering en handhaving van het beleid. De hoogte van de bestuurslasten zijn afhankelijk van de omvang van de ontwikkelingsgerichte ruimtelijke plannen (oppervlakte), het aantal vergunningen dat wordt verleend voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen en de beleidskeuzen. Het Rijk verstrekt via een uitkering uit het gemeentefonds een bestuurslasten vergoeding aan gemeenten en provincies voor de aanloop- en uitvoeringskosten die gepaard gaan met de invoering van de wet op de archeologische monumentenzorg. Deze bestuurslasten vergoeding via het gemeentefonds heeft een structureel karakter en bedraagt 61 eurocent per wooneenheid. Voor de gemeente Nuenen gaat het dan om een bedrag dat ligt tussen € 4.880,- tot € 5.490,- bij 8000 tot 9000 wooneenheden. Het benodigd budget voor de uitvoering van archeologische monumentenzorgtaken op gemeentelijk niveau is daarnaast afhankelijk van de keuze van de gemeente (alleen rol in beleidsmatige taken of ziet zij voor zichzelf ook een rol in de uitvoering en presentatie). Een overzicht van de investeringen met betrekking tot het toekomstige archeologiebeleid: Vaste kosten Beleid: formatie beleidsmedewerker bureaukosten onderhoud informatiesysteem voorlichtingsmateriaal Eenmalige investeringen Beleid Ontwikkeling beleidskaart Ontwikkeling beleid/verordening Facet bestemmingsplan Variabele kosten beleid/uitvoering Bijdragen aan excessieve kostenregeling Stimuleren behoud in situ/inpassing archeologische waarden Noodonderzoek vrijwilligers Projectkosten opgravingen en uitwerking Conservering en restauratie Presentatie en publicatie Synthetiserend onderzoek Terugkerende taken die samenhangen met het adviseren inzake bestemmingsplannen en vergunningen en het begeleiden van de uitvoering en handhaving van het beleid, bestaan uit: Keuren van Programma’s van Eisen (controle onderzoeksvragen, prospectiestrategie en –methode) voor alle uitvoerende onderzoeken in de gemeente. In de regel betreft het onderzoeken in het kader van nieuwe (ontwikkelingsgerichte) bestemmingsplannen of onderzoeken in het kader van (aanleg-, bouw-, sloop-) vergunningen. Beoordelen van de rapportages die het resultaat zijn van uitgevoerde onderzoeken en op basis daarvan besluiten of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Selecteren van archeologische waarden op grond van een afgerond vooronderzoek en een uitgebracht selectieadvies. Formuleren van de eisen aan de maatregelen, die gericht zijn op het beschermen (behoud in situ) of het opgraven (behoud ex situ) van geselecteerde waarden.

Rechtspraak bij dit artikel