De nieuwe wet op de AMZ en de implementatie van het gemeentelijke AMZ-beleid heeft consequenties voor verschillende afdelingen binnen de gemeentelijke organisatie:
incalculeren van archeologische risico’s bij de aan- en verkoop van gemeentelijke gronden;
inpassing van archeologisch waardevolle elementen in het landelijk gebied;
de digitale verspreiding van de archeologische beleidskaart en de koppeling van de kaart aan andere gemeentelijke bodem- en geo-informatiesystemen;
uitwerking van het opnemen van archeologische voorwaarden in vergunningverlening procedures, en het opstarten van een nader onderzoek naar verhaalmogelijkheden en fonds- of subsidieregeling;
afstemming van AMZ-beleid met andere beleidsvelden, met name op het gebied van integraal cultuurbeleid en de relatie met recreatie, educatie en toerisme;
integratie van het AMZ-beleid in het algemene voorlichtingsbeleid van de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld via de gemeentelijke website, brochures, etc.
14.1 Centraal aanspreekpunt voor AMZ-taken
Binnen de Afdeling Ontwikkeling en Handhaving is het taakveld Archeologie ondergebracht bij één van de beleidsmedewerkers. Hij fungeert daar als centraal aanspreekpunt. Hij zorgt in nauw overleg met de projectleiders van de verschillende ruimtelijke plannen dat archeologie in projecten en planprocedures wordt opgenomen en begeleidt de uitvoering van de benodigde archeologische werkzaamheden in ruimtelijke projecten. Deze beleidsmedewerker heeft ook tot taak het AMZ-beleid verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om het vaststellen, implementeren en evalueren van het archeologiebeleid, beleidsontwikkeling, de voorbereiding en coördinatie van archeologische werkzaamheden in ruimtelijke ordeningsprojecten en procedures en het voorbereiden van selectiebesluiten.
Voor de betrokken afdelingen is een handleiding (zie bijlage 8) opgesteld om interne procedures en wederzijdse informatievoorziening op het gebied van de archeologische monumentenzorg te stroomlijnen en af te stemmen bij:
vergunningsprocedures bij bouw- en sloopplannen en ontgrondingen;
het opstellen van structuurplannen of –visies;
bestemmingsplannen, beheersverordeningen, ontheffingen en projectbesluiten;
MER-trajecten (startnotities).
14.2 Archeologische expertise
Bij het nemen van formele beslissingen (selectie en waardering) in het kader van de verlening van archeologievergunningen zal het bestuur onafhankelijk deskundig advies inwinnen op de archeologische markt conform de eisen van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Ook bij de voorbereiding en begeleiding van archeologische uitvoerende werkzaamheden, waaronder het opstellen van Programma’s van Eisen en het houden van toezicht, zal een beroep op de archeologische markt worden gedaan en worden zonodig in concurrentie aanbesteed. De voorkeur gaat daarbij uit naar een regionaal seniorarcheoloog van de Milieudienst van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, omdat Nuenen deelt uitmaakt van dit samenwerkingsverband, maar ook vanwege de daar aanwezige regionale archeologische kennis. Deze seniorarcheoloog is in staat om een inhoudelijk-gefundeerde beslissing te nemen in het proces van afweging van archeologische belangen.
De gemeente Nuenen ligt in een landschappelijk samenhangende regio met een hoge mate van vergelijkbaarheid van de archeologische problematiek en er valt een onbetwiste meerwaarde te ontlenen aan een nauwe onderlinge samenwerking en onderlinge afstemming met de buurgemeenten op het gebied van de zorg voor het archeologische erfgoed. Bij een recent onderzoek naar de meest optimale organisatie en operationalisering van het archeologisch beleid op gemeentelijk niveau is geconcludeerd dat voor veel AMZ-taken een intergemeentelijke samenwerking te prefereren is boven het creëren van eigen voorzieningen op gemeentelijk niveau. Aanbevolen wordt een regionaal samenwerkingsverband op te richten waarbinnen de gemeenten de benodigde deskundigheid op het gebied van archeologie kunnen delen en gebruik kunnen maken van een aantal basisvoorzieningen. Geadviseerd wordt om de wenselijkheid en noodzaak te onderzoeken om via intergemeentelijke samenwerking een vaste archeoloog in dienst te nemen, een zgn. regioarcheoloog.
14.3 Vergunningverlening
De volgende ontheffings- en vergunningprocedures kunnen voorschriften bevatten gericht op de bescherming van archeologische waarden:
Aanlegvergunning op grond van art. 3.16 Wro, mits in het bestemmingsplan bepaald: meestal geldig buiten de bebouwde kom bij bestemmingen niet zijnde woningen of andere gebouwen. Een vergunning is vereist voor bodemingrepen die in het voorschrift nader worden gespecificeerd. Het normale bodemgebruik is hiervan uitgezonderd;
Bouwvergunning op grond van art. 44 Woningwet, mits in het bestemmingsplan bepaald: bij bestemmingen waar nieuwbouw is toegestaan. Nieuwbouw kan leiden tot (verdere) aantasting van een archeologische vindplaats. In de vergunningvoorwaarden kan in plaats van de onderzoeksplicht eventueel de eis tot technische aanpassingen van de fundering worden opgenomen om behoud van het bodemarchief te waarborgen;
sloopvergunning op grond van art. 3.20 Wro, mits in het bestemmingsplan bepaald danwel binnen beschermd stads- en dorpsgezicht: bij bestemmingen waar plaats is voor bestaande woningen en andere gebouwen of bouwwerken. Onder bestaande bebouwing kan, met name in historische kernen, waardevol bodemarchief verborgen liggen. De aard van de fundering en eventuele onderkelderingen is hiervoor bepalend. Het is gebruikelijk om bij het verlenen van sloopvergunningen op plaatsen met een verhoogde archeologische waarde of verwachting als voorwaarde op te nemen dat het slopen onder maaiveld alleen onder archeologische begeleiding plaatsvindt;
ontheffing op grond van art. 3.22 of 3.23 Wro, indien de voorgenomen wijziging een terrein van archeologische waarde of middelhoge/hoge archeologische verwachting betreft. In de ruimtelijke onderbouwing zal moeten worden aangegeven, óf en hoe deze zijn vastgesteld en gewaardeerd, en hoe het behoud van de resten (en/of de archeologische informatie) kan worden gerealiseerd.
projectbesluit op grond van art. 3.10 Wro, indien de voorgenomen wijziging een terrein van archeologische waarde of middelhoge/hoge archeologische verwachting betreft. In de ruimtelijke onderbouwing zal moeten worden aangegeven, óf en hoe deze zijn vastgesteld en gewaardeerd, en hoe het behoud van de resten (en/of de archeologische informatie) kan worden gerealiseerd.
Behalve bij vergunningen die op grond van het bestemmingsplan verleend worden, zijn er ook andere wetten en procedures die verlangen dat archeologie wordt meegewogen in de afweging over ruimtelijke inrichting en dat zonodig archeologisch (voor)onderzoek wordt verricht.
In de volgende gevallen verplicht de herziene Monumentenwet dat archeologische belangen op vergelijkbare wijze worden meegewogen als in bestemmingsplanprocedures:
monumentenvergunning: op basis van de Monumentenwet of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening zijn bodemingrepen op rijks- of provinciale archeologische monumenten vergunningplichtig. Rijk, respectievelijk provincie en gemeente, treden hier op als bevoegd gezag;
ontgrondingsvergunning: op basis van de Ontgrondingenwet weegt het bevoegd gezag (de provincie) archeologische belangen mee in besluiten over het al dan niet verlenen van vergunningen voor ontgrondingen;
besluiten op grond van de Tracéwet. Het rijk is hierbij bevoegd gezag;
Milieu-effectrapportages (MER’s). De richtlijnen voor de MER kan aangeven, dat het aspect archeologie alsnog in de effectbeschrijving en -beoordeling dient te worden opgenomen. Afhankelijk van de ligging en omvang van de geplande ruimtelijke ingreep treedt het rijk, dan wel de provincie of gemeente op als bevoegd gezag.
Behalve als procedurele verplichting is het ook om andere redenen belangrijk dat archeologie bij ruimtelijke besluit- en planvormingsprocedures wordt betrokken. Archeologische informatie over de bewoningsgeschiedenis, landschap en historisch grondgebruik levert meerwaarde bij het opstellen van:
structuurvisies;
beeldkwaliteitsplannen;
landschapsvisies;
omgevingsplannen.
14.4 Uitvoering en handhaving
1. Beoordelen of het plan op grond van de erfgoedverordening binnen de instandhoudingsbepalingen valt of op grond van het bestemmingsplan voldoet aan de bouwvoorschriften danwel aanlegvergunningplichtig is. Dit kan in principe gebeuren door de plantoetser van de gemeente. Hiervoor geldt dat dit uiteraard goed moet worden gecommuniceerd binnen de gemeente. Indien het plan niet voldoet aan de bepalingen of voorschriften, dan dienen er aan het verlenen van de bouw- of aanlegvergunning randvoorwaarden gekoppeld te worden. Het zal in de meeste gevallen gaan om het uitvoeren van een bureauonderzoek of het combineren van een bureau- en booronderzoek waarbij de verstoorder eerst moet zorgen voor een door een seniorarcheoloog opgesteld of goedgekeurd Plan van Aanpak.
2. Selectiebesluit op basis van selectieadvies:
Op basis van de gegevens van het vooronderzoek stelt de uitvoerder van het onderzoek een waardering op. Het bevoegd gezag kan deze waardering en het selectieadvies dat door een seniorarcheoloog is opgesteld gebruiken bij het nemen van een selectiebesluit. In het geval dat de gemeente ervoor kiest om het advies over te nemen, kan de ambtenaar van de gemeente die belast is met de archeologie hiervoor zorg dragen en is geen inzet van een extern ingehuurde seniorarcheoloog noodzakelijk. Bij grote of complexe onderzoeken is het raadplegen van een (externe) seniorarcheoloog wenselijk. Ook indien er hetzij van de opdrachtgever hetzij van bijvoorbeeld een heemkundevereniging bezwaren tegen het selectieadvies komen is de inzet van een externe seniorarcheoloog wenselijk. Het al of niet opvolgen van een selectieadvies is voorbehouden aan het bevoegd gezag. Het selectiebesluit kan dan ook afwijken van het selectieadvies. Wanneer de gemeente wil afwijken van het selectieadvies dient dit onderbouwd te worden. Hiervoor wordt de inzet van een (externe) senior archeoloog geadviseerd.
3. Goedkeuring Programma van Eisen:
Aan een gravend archeologisch onderzoek moet altijd een PvE ten grondslag liggen dat is bekrachtigd door het bevoegd gezag. In de KNA zijn de normen vastgelegd waaraan een PvE voor archeologisch gravend onderzoek moet voldoen. Het PvE is geschreven of goedgekeurd door een senior archeoloog maar vormt het kader en de randvoorwaarde die het bevoegd gezag (de gemeente) stelt aan een onderzoek. Derhalve dient de gemeente het PvE te toetsen en goed te keuren. In principe is de gemeente (de met archeologie belaste ambtenaar) bevoegd dit zelf te doen maar er wordt geadviseerd hiervoor een (externe) seniorarcheoloog te raadplegen. Met name wanneer het PvE aangepast moet worden is een onderbouwing daarvan, op basis van een advies van een senior archeoloog noodzakelijk. Ook wanneer de opsteller van het PvE de uitvoerder is, moet het plan beoordeeld worden door een onafhankelijk senior archeoloog.
4. Toetsing/goedkeuring rapportage:
Het toetsen of goedkeuren van een rapportage is in principe bij alle stappen van onderzoek maar met name bij een definitieve opgraving van belang. Hiervoor is de expertise van een seniorarcheoloog vereist. Overigens staat er nergens in de wet dat het toetsen van een rapport vereist is. De gemeente heeft echter het standpunt dat onderzoek aan minimumeisen, vastgelegd in een door de gemeente goedgekeurd PvE moet voldoen en dat onderzoek bij moet dragen aan de kennis van de geschiedenis van Nuenen. De toetsing van rapporten aan het PvE is om die reden onontbeerlijk.
5. Handhaving:
Het is de taak van de gemeente toe te zien op de naleving van de voorschriften in het bestemmingsplan en de erfgoedverordening. Voor archeologische terreinen betekent dit in de praktijk dat veel bodemroerende activiteiten vergunningplichtig worden. Vooral in agrarisch gebied is het toezicht hierop lastig. Ontgrondingen, egalisaties en het aanleggen van waterbergingen kunnen het bodemarchief aanzienlijke schade toebrengen. Een regelmatige controle hierop aan de hand van recente luchtfoto’s en satellietopnames is over het algemeen niet al te lastig uitvoerbaar, zeker wanneer kan worden beschikt over een GIS-bestand van de archeologische beleidskaart.
Uitvoering gebeurt door de handhavers van de gemeente. Raadplegen of eventueel inzetten van een (externe) seniorarcheoloog.
Artikel Positionering van de AMZ binnen de gemeentelijke organisatie
Artikel Positionering van de AMZ binnen de gemeentelijke organisatie
Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg